Dwangsom Dolfinarium vernietigd wegens onzorgvuldig onderzoek staatssecretaris
ECLI:NL:CBB:2026:476, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 06-10-2026, 25/727
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De staatssecretaris heeft een last onder dwangsom opgelegd omdat het Dolfinarium de dierentuinvergunning zou overtreden, door dieren bij dierpresentaties op commando onnatuurlijke of antropomorfe gedragingen te laten uitvoeren. Het College is van oordeel dat aan het dwangsombesluit geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag ligt op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat het Dolfinarium het voorschrift uit artikel 2.2, onder e, van de dierentuinvergunning heeft overtreden. Schending zorgvuldigheidsbeginsel, vernietiging bestreden besluit, herroeping dwangsombesluit.
Kern van de zaak
Het Dolfinarium ging in beroep tegen een last onder dwangsom opgelegd door de staatssecretaris wegens vermeende overtreding van de dierentuinvergunning (artikel 2.2 onder e) met betrekking tot dierpresentaties. Het Dolfinarium stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de publiciteit rond het besluit tot omzetschade had geleid.
Beslissing van de rechter
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaart het beroep gegrond en vernietigt het dwangsombesluit, omdat de staatssecretaris het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Aan het handhavingsbesluit lag geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten ten grondslag, zodat de overtreding niet rechtmatig was vastgesteld.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktische betekenis voor het dierentuintoezicht en bevestigt een bestaande rechtsregel over feitenvaststelling bij handhaving, maar stelt geen nieuwe fundamentele rechtsregels en heeft een beperkt sectoraal bereik.
Belangrijkste punten
- 1Het College beoordeelt het procesbelang ambtshalve: ondanks het verstrijken van de looptijd van de dwangsom bestaat belang vanwege doorlopend toezicht en gestelde schade door teruglopende bezoekersaantallen.
- 2Aan een handhavingsbesluit moet een deugdelijke en controleerbare feitenvaststelling ten grondslag liggen, gedaan door een ter zake kundig persoon.
- 3Het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden: de staatssecretaris heeft het onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid uitgevoerd.
- 4Het College herroept zelf het dwangsombesluit en bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
- 5De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht (€ 385,-) en proceskosten (€ 3.200,-).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en versterkt de lijn dat handhavingsbeslissingen in het dierentuintoezicht moeten steunen op feitenvaststelling door ter zake kundige personen, in lijn met eerdere CBb-rechtspraak (ECLI:NL:CBB:2026:7). Het zorgvuldigheidsbeginsel fungeert als zelfstandige toetsingsgrond bij bestuursrechtelijke handhaving.
Praktische impact
Het Dolfinarium is verlost van de last onder dwangsom en kan aanspraak maken op schadevergoeding voor geleden reputatieschade; de staatssecretaris zal bij toekomstig toezicht zorgvuldiger onderzoek moeten (laten) verrichten alvorens handhavend op te treden.
Onderwerp-impact
Voor dierentuinen en andere onder vergunningtoezicht staande inrichtingen biedt deze uitspraak een procedureel anker: handhaving op basis van onvoldoende deskundig onderbouwde waarnemingen kan met succes worden aangevochten.
Samenvatting
Het Dolfinarium kreeg in deze procedure gelijk van het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De staatssecretaris had een last onder dwangsom opgelegd wegens een vermeende overtreding van artikel 2.2, onder e, van de dierentuinvergunning, betrekking hebbend op het gedrag van dieren tijdens dierpresentaties. Het Dolfinarium betwistte zowel de rechtmatigheid van de handhaving als de zorgvuldigheid van het daaraan voorafgaande onderzoek. Het College overwoog allereerst ambtshalve dat het Dolfinarium procesbelang heeft, ook al was de looptijd van de dwangsom verstreken en waren er geen dwangsommen ingevorderd. Omdat het Dolfinarium doorlopend onder toezicht staat en vergelijkbare interacties nog steeds plaatsvinden, is een inhoudelijk oordeel relevant voor toekomstige handhaving. Daarnaast achtte het College aannemelijk dat de publiciteit rond het dwangsombesluit heeft geleid tot teruglopende bezoekersaantallen en dus tot schade, wat een zelfstandige grond voor procesbelang oplevert. Inhoudelijk toetste het College of de staatssecretaris het zorgvuldigheidsbeginsel in acht had genomen. Onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:7) herhaalde het College dat aan een handhavingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten ten grondslag moet liggen, verricht door een ter zake kundig persoon. Nu de staatssecretaris hier niet aan had voldaan, ontbrak een rechtmatige grondslag voor de last onder dwangsom. Het College verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit op bezwaar en herriep zelf het dwangsombesluit. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht (€ 385,-) en de proceskosten van het Dolfinarium (€ 3.200,-). De uitspraak onderstreept het belang van gedegen, deskundig onderzoek als voorwaarde voor rechtmatige bestuursrechtelijke handhaving in de dierentuinsector.