Hof bekrachtigt ontslag werknemer die reed ondanks visuele beperking
ECLI:NL:GHDHA:2026:2847, Gerechtshof Den Haag, 22-09-2026, 200.362.714/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)ontbinding arbeidsovereenkomst, ernstig verwijtbaar handelen, billijk vergoeding, afschrikwekkend effect
Kern van de zaak
Een werknemer was ziek gemeld met een visuele beperking die volgens de bedrijfsarts rijden en langdurig schermwerk uitsloot. De werkgever ontdekte dat de werknemer desondanks zelfstandig auto reed, ook met een minderjarig kind aan boord. De werkgever stapte naar de rechter wegens schending van de informatieplicht en mogelijk gevaarzettend gedrag.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Den Haag bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in Rotterdam, waarbij de beslissing ten nadele van de werknemer in stand blijft. Doorslaggevend is dat het structureel autorijden ondanks de door de bedrijfsarts vastgestelde visuele beperking een ernstige schending oplevert van de informatieplicht ex artikel 7:660a BW en de Wet Verbetering Poortwachter.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past in een bestaande lijn rondom de informatieplicht van zieke werknemers en voegt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel toe, maar de combinatie van verkeersgevaar, minderjarig kind en schending van Poortwachter-verplichtingen maakt de zaak praktisch relevant voor werkgevers en arbeidsrechtjuristen.
Belangrijkste punten
- 1Werknemer reed structureel auto terwijl de bedrijfsarts rijden uitdrukkelijk had uitgesloten wegens een visuele beperking.
- 2Dit gedrag levert een ernstige schending op van de informatieplicht van de werknemer ex artikel 7:660a BW en de Wet Verbetering Poortwachter.
- 3Het rijden met een medisch uitgesloten visuele beperking kan civielrechtelijk als onrechtmatige daad worden aangemerkt en mogelijk als roekeloos rijgedrag in de zin van artikel 5 Wegenverkeerswet.
- 4Het vervoeren van een minderjarig kind onder deze omstandigheden wordt aangemerkt als ernstig onverantwoord en gevaarzettend gedrag.
- 5Het hof bekrachtigt de beslissing van de kantonrechter en veroordeelt de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van € 4.421,--.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat structureel gedrag dat haaks staat op opgegeven medische beperkingen als ernstige schending van de werknemersverplichtingen ex artikel 7:660a BW kwalificeert en de re-integratieaanspraken kan ondermijnen. Tevens wordt de mogelijke samenloop met aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad en de Wegenverkeerswet onderstreept.
Praktische impact
Werknemers die ziek zijn gemeld dienen hun feitelijke belastbaarheid consistent en naar waarheid te rapporteren aan bedrijfsarts en werkgever; aantoonbaar afwijkend gedrag kan leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst en verlies van loonbetalingsaanspraken. Werkgevers krijgen bevestiging dat objectief waarneembare discrepanties tussen opgegeven beperkingen en feitelijk gedrag juridisch relevant bewijsmateriaal vormen.
Onderwerp-impact
In de context van arbeidsrelaties en re-integratie benadrukt deze zaak het belang van consistent en transparant gedrag van de zieke werknemer gedurende het Poortwachter-traject, en de consequenties van (vermeend) misbruik van ziekteverzuim.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Den Haag stond centraal of een werknemer zijn informatieplicht jegens de werkgever en bedrijfsarts had geschonden door auto te rijden terwijl hij wegens een visuele beperking arbeidsongeschikt was gemeld. De bedrijfsarts had in zijn rapportage van 1 april 2025 uitdrukkelijk vastgelegd dat de betreffende visuele aandoening zowel langdurig schermwerk als zelfstandig rijden uitsloot. Desondanks werd vastgesteld dat de werknemer structureel auto reed, waarbij hij ook een minderjarig kind vervoerde. De werkgever meende dat dit handelen een ernstige schending opleverde van de verplichtingen die op de werknemer rusten op grond van artikel 7:660a BW en de Wet Verbetering Poortwachter, die de werknemer verplichten zijn belastbaarheid naar waarheid mee te delen en medewerking te verlenen aan re-integratie. De juridische kern van het geschil betrof de vraag of dit gedrag voldoende grond bood voor de door de kantonrechter genomen beslissing. Het hof oordeelt dat de combinatie van de medische beoordeling en het feitelijk rijgedrag in hoge mate rechtvaardigt te vermoeden dat de werknemer zijn belastbaarheid niet naar waarheid heeft opgegeven. Daarmee is sprake van een ernstige schending van de informatieplicht. Daarnaast overweegt het hof dat het rijden met een medisch vastgestelde visuele beperking – en zeker het vervoeren van een minderjarig kind – kwalificeert als ernstig onverantwoord en gevaarzettend gedrag, dat civielrechtelijk als onrechtmatige daad kan worden aangemerkt en mogelijk als schuld of roekeloosheid in de zin van artikel 5 Wegenverkeerswet. Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in Rotterdam en veroordeelt de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van in totaal € 4.421,--, te vermeerderen met wettelijke rente. De uitspraak bevestigt dat aantoonbaar gedrag dat haaks staat op opgegeven ziektebeperkingen verstrekkende gevolgen kan hebben voor de arbeidsrechtelijke positie van de werknemer.