JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2831Laag28/100

Regresvordering borg afgewezen wegens eigen wanbeheer bedrijf

ECLI:NL:GHDHA:2026:2831, Gerechtshof Den Haag, 08-09-2026, 200.345.459/01

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 8 september 2026Publicatie: 10 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.345.459/01

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Appellant en geïntimeerde hebben beiden borg gestaan voor een kredietfaciliteit ter financiering van de overname van een accountantskantoor. Dit kantoor is failliet gegaan. De bank heeft appellant en geïntimeerde aangesproken uit hoofde van hun borgstelling onder de kredietfaciliteit. Appellant wil in deze procedure een bedrag van € 65.000 op zijn medeborg / geïntimeerde verhalen op grond van art. 7:869 BW. Volgens rechtbank en hof is de bijdrage van appellant aan het faillissement dermate zwaarwegend dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om geïntimeerde aan te spreken als medeborg.

Kern van de zaak

Appellant ([appellant]) vordert als medeborg regres op zijn medeborgtochtnemer ([geïntimeerde]) op grond van art. 7:869 BW na het faillissement van Nimol Rotterdam BV. De rechtbank wees de vordering af omdat appellants eigen handelen als indirect bestuurder doorslaggevend bijdroeg aan de ondergang van het bedrijf. In hoger beroep betwist appellant dat hij verantwoordelijk was voor het beleid.

Beslissing van de rechter

Het gerechtshof wijst de regresvordering van appellant af. Doorslaggevend is dat appellant als indirect bestuurder de overwegende invloed had binnen Nimol Rotterdam BV en het gemotiveerde, met stukken onderbouwde betoog van geïntimeerde over zijn rol in de teloorgang van het bedrijf ook in hoger beroep onvoldoende heeft weersproken.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past bestaande rechtspraak over redelijkheid en billijkheid bij regres toe op een specifieke feitelijke situatie en introduceert geen nieuwe rechtsregels; de impact is beperkt tot vergelijkbare borgstellingskwesties met een bestuurder-borg.

Belangrijkste punten

  • 1Regresrecht tussen medeborgen (art. 7:869 BW) kan worden beperkt door redelijkheid en billijkheid wanneer de regresnemende borg zelf in overwegende mate heeft bijgedragen aan het verlies.
  • 2Appellant heeft als indirect bestuurder de overwegende invloed binnen Nimol Rotterdam BV gehad; dit wordt hem aangerekend bij de beoordeling van de regresvraag.
  • 3Het argument dat de curator geen onbehoorlijk-bestuursactie heeft ingesteld, is onvoldoende om de eigen verantwoordelijkheid van appellant te weerleggen.
  • 4Appellant heeft geen concrete, te bewijzen feiten gesteld die zijn verweer ondersteunen, en heeft vergaderstukken waarnaar hij verwees niet in het geding gebracht.
  • 5Onvoldoende gemotiveerde betwisting van een met stukken onderbouwd betoog leidt ertoe dat de stellingen van de wederpartij als vaststaand worden aangenomen.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat de redelijkheid en billijkheid het regresrecht van art. 7:869 BW kunnen beperken wanneer de regresnemende borg zelf in beslissende mate heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het borgstellingsrisico. Dit legt een hoge stelplicht op de eisende borg die tevens (indirect) bestuurder was.

Praktische impact

Voor bestuurders die tevens borg staan, betekent dit dat zij bij een regresvordering jegens een medeborg concreet en gedocumenteerd moeten aantonen dat het verlies niet aan hun eigen beleid is te wijten; het enkele ontbreken van een curatorsactie wegens onbehoorlijk bestuur volstaat daartoe niet.

Onderwerp-impact

In financierings- en borgstellingspraktijken zullen medeborgen die zijdelings betrokken zijn bij de debiteur zich kunnen verweren met een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de andere borg-bestuurder, wat de onderhandelingspositie van passieve medeborgen versterkt.

Samenvatting

Dit arrest van het Gerechtshof Den Haag betreft een geschil over regres tussen medeborgen na het faillissement van Nimol Rotterdam BV. Appellant stond als medeborg borg voor een bankkrediet aan Nimol Rotterdam BV en vorderde na uitwinning regres op zijn medeborgtochtnemer geïntimeerde op grond van art. 7:869 BW. De centrale juridische vraag was of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat appellant dit regresrecht uitoefent, gelet op zijn eigen rol als indirect bestuurder bij het mislukken van de bedrijfsvoering. De rechtbank had de vordering reeds afgewezen omdat appellants bijdrage aan de teloorgang van de vennootschap dermate zwaarwegend was dat het inroepen van regres onaanvaardbaar was. In hoger beroep handhaafde appellant zijn grief dat hij het beleid niet bepaalde en dat de financiële problemen te wijten waren aan de opstelling van de oude partners en marktontwikkelingen. Hij voerde onder meer aan dat de curator geen onbehoorlijk-bestuursactie had ingesteld, wat volgens hem aantoonde dat zijn bestuur niet onbehoorlijk was geweest. Het hof verwierp dit betoog. Appellant had als indirect bestuurder de overwegende invloed binnen Nimol Rotterdam BV gehad. Het gemotiveerde en met stukken onderbouwde betoog van geïntimeerde over de negatieve rol van appellant bleef ook in hoger beroep onvoldoende betwist: appellant stelde geen concrete te bewijzen feiten en legde de vergaderstukken waaraan hij refereerde niet over. Het hof concludeerde daarom dat vaststaat dat appellant in overwegende mate heeft bijgedragen aan het mislukken van de bedrijfsvoering, en dat het in die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is hem regres op geïntimeerde toe te kennen. De regresvordering werd aldus ook in hoger beroep afgewezen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 15 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Ondernemingsrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2599Laag
Ondernemingsrecht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2599, Gerechtshof Amsterdam, 10-09-2026, 200.336.928/01 OK

Gerechtshof Amsterdam10 sep 2026Financiele DienstverleningVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:397Laag
Bestuursrecht
Ondernemingsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:397, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24-08-2026, 26/521

College van Beroep voor het bedrijfsleven24 aug 2026OverheidRetail
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHAMS:2026:2339Laag
Ondernemingsrecht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2339, Gerechtshof Amsterdam, 21-08-2026, 200.357.784/01 OK

Gerechtshof Amsterdam21 aug 2026VastgoedFaillissement
12/100Bekijk
ECLI:NL:GHAMS:2026:2322Middel
Ondernemingsrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2322, Gerechtshof Amsterdam, 20-08-2026, 25/2006

Gerechtshof Amsterdam20 aug 2026Financiele DienstverleningBestuurdersaansprakelijkheid
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied