Vertrouwelijkheidsregime opgelegd voor bedrijfsgeheimen in procedure
ECLI:NL:GHDHA:2026:2738, Gerechtshof Den Haag, 01-09-2026, 200.359.741/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Arrest in incident. Vordering tot toepassing van een vertrouwelijkheidsregime (art. 27, 28 en 29 Rv). Hof wijst grotendeels toe. Wet bescherming bedrijfsgeheimen. Confidentiality club.
Kern van de zaak
Polmos vordert in een incidentele procedure een vertrouwelijkheidsregime voor bedrijfsgeheime informatie. De wederpartij (Sasha) is betrokken bij een geschil waarbij vertrouwelijke bedrijfsinformatie dreigt te worden gedeeld. Het hof moet afwegen tussen openbaarheid van rechtspraak en bescherming van bedrijfsgeheimen.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de incidentele vordering tot instelling van een vertrouwelijkheidsregime (confidentiality club) toe en legt Sasha een dwangsom op voor overtreding van het mededelingsverbod. Doorslaggevend is dat de betrokken informatie kwalificeert als bedrijfsgeheim in de zin van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen, terwijl de enkele toezegging van Sasha zich aan het verbod te houden onvoldoende waarborg biedt.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele incidentele beslissing van een gerechtshof over een vertrouwelijkheidsregime; de uitkomst is weinig verrassend en heeft beperkte precedentwerking buiten de directe zaak. De tekst is bovendien onvolledig, waardoor de volledige context onzeker is.
Belangrijkste punten
- 1Openbaarheid van rechtspraak en equality of arms zijn sterk verankerde beginselen; uitzonderingen worden terughoudend toegestaan
- 2Bedrijfsgeheimen worden beschermd op grond van artikel 22a lid 3 Rv jo. artikel 1019ib lid 3 onder a Rv, gebaseerd op de EU-Richtlijn 2016/943 en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen
- 3Informatie kwalificeert als bedrijfsgeheim indien zij geheim, handelswaardedragend en onderworpen aan redelijke geheimhoudingsmaatregelen is
- 4Proceskosten worden begroot op € 3.000,- op grond van artikel 1019h Rv (IE-proceskostenveroordeling)
- 5Dwangsom wordt uitsluitend opgelegd aan Sasha (niet aan haar advocaten), gematigd en gemaximeerd
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepasselijkheid van het vertrouwelijkheidsregime ex artikel 22a Rv en 1019ib Rv in IE-gerelateerde procedures en verduidelijkt dat een mondelinge toezegging tot geheimhouding onvoldoende is om een dwangsom te vermijden. De uitspraak is grotendeels procedureel van aard en betreft een incidentele beslissing.
Praktische impact
Voor Sasha betekent de beslissing dat zij gebonden is aan een mededelingsverbod ten aanzien van de bedrijfsgeheime informatie, op straffe van een gemaximeerde dwangsom. Polmos verkrijgt aldus procedurele bescherming voor haar vertrouwelijke informatie gedurende de lopende procedure.
Onderwerp-impact
In IE-procedures (met name handelsmerkzaken of vergelijkbare geschillen waarbij bedrijfsgeheimen aan de orde zijn) biedt dit oordeel een praktisch handvat voor de inrichting van een confidentiality club en de koppeling daarvan aan dwangsommen.
Samenvatting
In deze incidentele procedure bij het Gerechtshof Den Haag vorderde Polmos de instelling van een vertrouwelijkheidsregime (confidentiality club) voor bedrijfsgeheime informatie in het kader van een lopende hoofdprocedure. De wederpartij, aangeduid als Sasha, betwistte de noodzaak van een dergelijk regime en gaf aan zich vrijwillig aan een mededelingsverbod te zullen houden. Het hof stelt voorop dat de beginselen van openbaarheid van rechtspraak en equality of arms zwaarwegend zijn en dat uitzonderingen daarop slechts terughoudend worden toegestaan. Desondanks oordeelt het hof dat de door Polmos ingeroepen informatie kwalificeert als bedrijfsgeheim in de zin van artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb), die strekt ter implementatie van EU-Richtlijn 2016/943. Aan de definitie is voldaan: de informatie is niet algemeen bekend, heeft handelswaarde juist vanwege haar geheime karakter, en is onderworpen aan redelijke geheimhoudingsmaatregelen. Op grond van artikel 22a lid 3 Rv in samenhang met artikel 1019ib lid 3 onder a Rv wijst het hof de incidentele vordering toe en legt het een vertrouwelijkheidsregime op. Aan het mededelingsverbod wordt een gematigde en gemaximeerde dwangsom verbonden, uitsluitend opgelegd aan Sasha persoonlijk en niet aan haar advocaten. De enkele toezegging van Sasha dat zij zich aan het verbod zal houden, acht het hof in de gegeven omstandigheden onvoldoende grond om van een dwangsom af te zien. De proceskosten worden op grond van artikel 1019h Rv begroot op € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. De beslissing is procedureel van aard en heeft beperkte zelfstandige precedentwerking, maar illustreert wel hoe rechters omgaan met de spanning tussen transparantie in rechtsgedingen en de bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie in IE-gerelateerde procedures.