Pandrecht en verrekening dividendvordering in hoger beroep beoordeeld
ECLI:NL:GHDHA:2026:1841, Gerechtshof Den Haag, 09-06-2026, 200.335.605/02
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Vordering uit hoofde van een rekening-courantverhouding . De vordering wordt betwist op de grond dat de schuldenaar een dividendvordering op de schuldeiser heeft die zij kan verrekenen. En dat aan de schuldenaar een beroep toekomt op een pandrecht dat aan inning van de rekening-courantschuld in de weg staat.
Kern van de zaak
RBR I en VDH zijn verwikkeld in een geschil over een pandrecht gevestigd in een pandakte van 1 januari 2017. RBR I had in eerste aanleg een vordering toegewezen gekregen op VDH, terwijl VDH's vordering werd afgewezen. VDH gaat in hoger beroep en stelt dat zij een (toekomstige) dividendvordering van € 343.784,- op RBR I heeft, waarvoor zij het pandrecht kan inroepen en verrekening kan toepassen.
Beslissing van de rechter
Op basis van de beschikbare tekst is de volledige beslissing van het hof niet volledig weergegeven; de beschikbare fragmenten tonen dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat VDH de betekeniskosten plus € 98,- nakosten dient te betalen, wat duidt op een (gedeeltelijk) verlies voor VDH. De doorslaggevende reden lijkt gelegen in de uitleg van de pandakte en de vraag of de (toekomstige) dividendvordering en verrekeningsmogelijkheid van VDH opgaat tegen de rekening-courantschuld van RBR I.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een specifiek geschil tussen twee partijen over de uitleg van een pandakte in een concernverhouding en stelt geen nieuwe algemene rechtsregels. De beperkte weergave van de uitspraak maakt een hogere score niet gerechtvaardigd.
Belangrijkste punten
- 1Pandakte van 1 januari 2017 vestigt pandrecht ten gunste van VDH en RR op alle huidige en toekomstige vorderingen van RBR I op derden en op VDH.
- 2VDH stelt een (toekomstige) dividendvordering van € 343.784,- op RBR I te hebben, waarvoor zij het pandrecht wenst in te roepen.
- 3VDH beroept zich op verrekening van de dividendvordering met de rekening-courantschuld van RBR I, hetgeen zou betekenen dat RBR I geen opeisbare vordering meer heeft.
- 4RBR I heeft in incidenteel appel vernietiging gevorderd van het vonnis op het punt van de rente over haar vordering.
- 5De volledige beslissing van het hof ontbreekt in de beschikbare tekst, waardoor de precieze uitkomst van de grieven niet volledig kan worden vastgesteld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak betreft de uitleg van pandaktebepalingen en de vraag in hoeverre toekomstige (dividend)vorderingen binnen het pand- en verrekeningsbereik vallen, wat relevant is voor de praktijk rondom zekerheidsrechten in concernverhoudingen. De beperkte tekstweergave laat onzekerheid over de precieze juridische overwegingen van het hof.
Praktische impact
Voor VDH betekent de proceskostenveroordeling dat haar hoger beroep (grotendeels) niet succesvol is geweest; RBR I behoudt vermoedelijk haar vorderingsrecht op VDH. Voor concernfinancieringsstructuren met pandakten is het van belang hoe toekomstige intercompany-vorderingen worden gekwalificeerd.
Onderwerp-impact
In de financiële dienstverlening en bij concernstructuren met intercompany-financiering is de reikwijdte van zekerheidsrechten op toekomstige dividendvorderingen en verrekeningsbevoegdheden een praktisch relevant vraagstuk.
Samenvatting
Dit arrest van het Gerechtshof Den Haag betreft een hoger beroepsprocedure tussen RBR I en VDH over de uitleg en werking van een pandakte gedateerd 1 januari 2017. In eerste aanleg had de rechtbank de vordering van RBR I toegewezen en de vordering van VDH afgewezen. VDH ging in hoger beroep en voerde aan dat zij op grond van de pandakte een zekerheidsrecht heeft op alle huidige en toekomstige vorderingen van RBR I, waaronder een (toekomstige) dividendvordering van € 343.784,-. Tevens betoogde VDH dat zij bevoegd was deze dividendvordering te verrekenen met de rekening-courantschuld van RBR I bij VDH, zodat RBR I geen opeisbare vordering (meer) op VDH zou hebben. RBR I bestreed deze grieven en stelde zelf in incidenteel appel dat het vonnis diende te worden vernietigd op het punt van de rente over haar vordering. De juridische kernvraag betrof de reikwijdte van het pandrecht en de verrekeningsbevoegdheid in het licht van de tekst van de pandakte, in het bijzonder of een toekomstige dividendvordering onder het zekerheidsrecht valt. De beschikbare tekst van de uitspraak is onvolledig, zodat de precieze overwegingen van het hof niet volledig kunnen worden gereconstrueerd. Uit de beslissingsfragmenten blijkt echter dat VDH wordt veroordeeld in de betekeniskosten en nakosten van € 98,-, wat erop duidt dat het principale appel van VDH (grotendeels) niet is gehonoreerd. De praktische betekenis van dit arrest is beperkt tot de betrokken partijen, maar de rechtsvraag over de werking van pandrechten op toekomstige intercompany-vorderingen in concernverhoudingen is breder relevant voor de financieringspraktijk.