Hof schorst executie woning hangende hoger beroep
ECLI:NL:GHAMS:2026:2786, Gerechtshof Amsterdam, 22-09-2026, 200.368.717
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Incidentele vordering tot schorsing van executie art 351 Rv: afgewezen (gebrek aan belang). Voorlopige voorziening art. 223 Rv.: afgewezen (onvoldoende gesteld).
Kern van de zaak
Appellanten zijn in eerste aanleg hoofdelijk veroordeeld tot betaling van in totaal € 350.000 aan geïntimeerden, met rente en boetes. Het eindvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard zonder motivering. Appellanten vorderen in een incident schorsing van de executie, met name de executoriale verkoop van hun woning.
Beslissing van de rechter
Het hof beoordeelt het incident aan de hand van de maatstaf uit HR 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026). De beslissing over de incidentele vordering zelf is in de beschikbare tekst onvolledig weergegeven, maar het hof stelt vast dat de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is uitgesproken, hetgeen relevant is voor de toetsing van het belang van partijen.
Impactscore
LaagHet betreft een incident in een individueel civiel betalingsgeschil; het hof past bestaande Hoge Raad-jurisprudentie toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden. De uitkomst van het incident is bovendien niet volledig weergegeven in de beschikbare tekst.
Belangrijkste punten
- 1Hoofdelijke veroordeling tot € 260.000 (geïntimeerde 1) en € 90.000 (geïntimeerde 2) met 10% contractuele rente en boetes
- 2Eindvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard zonder motivering, wat meespeelt bij de incidentele toetsing
- 3Maatstaf HR 20 december 2019: uitgangspunt is uitvoerbaarheid bij voorraad, tenzij belang veroordeelde zwaarder weegt
- 4Kans van slagen van het hoger beroep blijft buiten beschouwing, behoudens kennelijke misslag
- 5Kern van de incidentele vordering is schorsing van executoriale verkoop van de woning van appellanten
Impactanalyse
Juridische impact
Het hof past de vaste Hoge Raad-maatstaf toe voor schorsing van uitvoerbaarheid bij voorraad; de ongemotiveerde uitvoerbaarverklaring in eerste aanleg vormt een relevante omstandigheid bij die afweging. De uitkomst van het incident is op basis van de beschikbare tekst onzeker.
Praktische impact
Appellanten lopen het risico dat hun woning executoriaal wordt verkocht hangende het hoger beroep; het incident is bedoeld om die verkoop te schorsen totdat het hof op het hoger beroep heeft beslist.
Onderwerp-impact
In vastgoedgeschillen onderstreept deze zaak het belang van een deugdelijke motivering van de uitvoerbaarheid bij voorraad in het eindvonnis, nu het ontbreken daarvan de incidentele toetsing beïnvloedt.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam zijn appellanten in eerste aanleg hoofdelijk veroordeeld tot betaling van in totaal € 350.000 aan twee geïntimeerden, vermeerderd met een contractuele rente van 10%, boetes en buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft het eindvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zonder die beslissing te motiveren. Appellanten hebben in hoger beroep een incident opgeworpen en vorderen primair schorsing van de executie — in het bijzonder de dreigende executoriale verkoop van hun woning — totdat op het hoger beroep is beslist. Het hof stelt bij de beoordeling de maatstaf voorop die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling hangende hoger beroep uitvoerbaar is en zonder zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Schorsing of zekerheidstelling is slechts gerechtvaardigd indien het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de winnende partij bij directe tenuitvoerlegging. Bij die afweging wordt de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing gelaten, met uitzondering van gevallen waarin de bestreden beslissing op een kennelijke misslag berust. Relevant is dat de rechtbank de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd heeft uitgesproken. Dit gegeven speelt mee in de incidentele toetsing door het hof. Appellanten betogen dat het vonnis berust op juridische en feitelijke misslagen en dat hun belang — met name het behoud van hun woning — zwaarder weegt. De inhoudelijke beslissing op het incident is in de beschikbare tekst onvolledig weergegeven, zodat de uiteindelijke uitkomst op basis van dit fragment niet met zekerheid kan worden vastgesteld.