Aanneemsom minus besparingen toegewezen bij stilzwijgende beëindigingsovereenkomst
ECLI:NL:GHAMS:2026:2776, Gerechtshof Amsterdam, 29-09-2026, 200.339.498/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aanneming van werk. Eindarrest, vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2026:336. Partijen zijn bij tussenarrest in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de financiële afwikkeling van de werkzaamheden die de aannemer voor de opdrachtgever heeft verricht. Het hof oordeelt dat moet worden afgerekend naar de stand van het werk, waarbij ook de daadwerkelijk door de aannemer gemaakte vaste kosten voor vergoeding in aanmerking komen.
Kern van de zaak
HDA en TBK waren verwikkeld in een geschil over de beëindiging van een overeenkomst en de daarmee samenhangende afrekening. HDA stelde dat TBK de samenwerking onmogelijk had gemaakt en vorderde betaling op basis van artikel 7:764 lid 2 BW. TBK betwistte dit en voerde in incidenteel hoger beroep aan dat zij de overeenkomst niet had opgezegd.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de vordering van HDA gedeeltelijk toe: de aanneemsom minus de besparingen wordt toegewezen op basis van redelijkheid en billijkheid ter invulling van een leemte in de stilzwijgende beëindigingsovereenkomst. Het principale hoger beroep van HDA faalt, het incidentele hoger beroep van TBK slaagt gedeeltelijk, en het bestreden vonnis wordt gedeeltelijk vernietigd.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een feitelijk specifiek geschil en past bestaande rechtspraak en wettelijke bepalingen toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de waarde is illustratief maar niet richtinggevend.
Belangrijkste punten
- 1Het hof oordeelt dat de overeenkomst niet door opzegging is geëindigd, maar door een (stilzwijgende) beëindigingsovereenkomst met wederzijds goedvinden.
- 2Partijen hebben geen afspraken gemaakt over de wijze van afrekening, waardoor een leemte in de overeenkomst bestaat die via redelijkheid en billijkheid wordt ingevuld.
- 3De vergoeding aan HDA wordt berekend conform artikel 7:764 lid 2 BW (aanneemsom minus besparingen), mede als aanwijzing in artikel 21.1 van de toepasselijke Voorwaarden.
- 4HDA's betoog dat TBK de samenwerking onmogelijk heeft gemaakt wordt niet gehonoreerd als grond om terug te komen van het oordeel over de beëindigingswijze.
- 5De proceskostenveroordeling in eerste aanleg blijft in stand ondanks het gedeeltelijk slagen van het incidentele hoger beroep van TBK.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert hoe rechters bij een leemte in een beëindigingsovereenkomst terugvallen op redelijkheid en billijkheid en daarbij aansluiting zoeken bij wettelijke regelingen zoals artikel 7:764 lid 2 BW, ook als die niet rechtstreeks van toepassing zijn. Dit bevestigt de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid bij contractuele leemten.
Praktische impact
Voor partijen betekent dit dat bij het sluiten van een beëindigingsovereenkomst expliciete afspraken over afrekening essentieel zijn; bij stilzwijgen riskeert men dat de rechter een vergoeding vaststelt op grond van redelijkheid en billijkheid, hetgeen voor beide partijen onzekerheid meebrengt.
Onderwerp-impact
In de bouwsector en aanneming van werk is deze uitspraak relevant: wanneer een aannemingsovereenkomst eindigt zonder expliciete afrekening, biedt artikel 7:764 lid 2 BW een bruikbaar anker voor de schadebegroting, ook bij een consensuele beëindiging.
Samenvatting
In dit hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam stonden HDA en TBK tegenover elkaar in een geschil over de beëindiging van hun samenwerking en de daarmee samenhangende financiële afrekening. In een eerder tussenarrest had het hof reeds geoordeeld dat niet was komen vast te staan dat TBK de overeenkomst had opgezegd. Omdat beide partijen feitelijk handelden alsof de samenwerking was beëindigd, concludeerde het hof dat zij een stilzwijgende beëindigingsovereenkomst hadden gesloten. Echter, over de wijze van afrekening voor de door HDA verrichte werkzaamheden hadden partijen geen afspraken gemaakt, en ook de wet voorziet niet in een expliciete regeling voor dit specifieke geval. Dit resulteerde in een leemte die het hof invult aan de hand van redelijkheid en billijkheid. HDA betoogde in haar akte dat de kwalificatie als beëindigingsovereenkomst onjuist was en dat TBK de samenwerking onmogelijk had gemaakt, wat bij de redelijkheids- en billijkheidsinvulling moest worden meegewogen. Het hof zag geen aanleiding terug te komen van zijn eerdere oordeel en handhaafde de vaststelling van een einde met wederzijds goedvinden. Voor de berekening van de aan HDA toekomende vergoeding sloot het hof aan bij artikel 7:764 lid 2 BW: de aanneemsom verminderd met de besparingen die het gevolg zijn van de beëindiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit werd ondersteund door artikel 21.1 van de tussen partijen geldende Voorwaarden. Het hof wees de vordering van HDA op deze grondslag toe. Het principale hoger beroep van HDA faalde volledig. Het incidentele hoger beroep van TBK slaagde gedeeltelijk, waardoor het bestreden vonnis gedeeltelijk werd vernietigd. De proceskostenveroordeling in eerste aanleg bleef in stand. Bewijsaanbiedingen van beide partijen werden gepasseerd wegens gebrek aan voldoende concreetheid.