Aannemingsovereenkomst tegelvloer geldig ondanks informatiegeschil
ECLI:NL:GHAMS:2026:2771, Gerechtshof Amsterdam, 29-09-2026, 200.350.067/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aanneming van werk. Overeenkomst gesloten buiten de verkoopruimte. Ambtshalve toetsing (pre)contractuele informatieplichten
Kern van de zaak
Consilium (aannemer) vordert betaling voor aanleg van een tegelvloer bij geïntimeerde (particulier). De kantonrechter oordeelde deels in het voordeel van Consilium, maar compenseerde de proceskosten. Beide partijen gingen in hoger beroep over respectievelijk de informatieplichten, de totstandkoming van de overeenkomst en de bewijswaardering.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt grotendeels het vonnis van de kantonrechter: de aannemingsovereenkomst voor de tegelvloer is rechtsgeldig tot stand gekomen, de grieven over informatieplichten en bewijswaardering falen, en enkel de ongenummerde grief van Consilium (betreffende btw) slaagt. De doorslaggevende reden voor het aannemen van de overeenkomst is de eigen verklaring van geïntimeerde tijdens de mondelinge behandeling over het gesprek op 13 juli 2021.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke hoger beroepszaak over een relatief gering geldbedrag tussen een aannemer en particulier, zonder nieuwe of richtinggevende rechtsvragen. De uitkomst is casuïstisch van aard en heeft beperkte bredere juridische betekenis.
Belangrijkste punten
- 1Het hof bevestigt dat tussen partijen een aannemingsovereenkomst in de zin van art. 7:750 lid 1 BW tot stand is gekomen voor de tegelvloer.
- 2De eigen verklaring van geïntimeerde over het gesprek op 13 juli 2021 is doorslaggevend voor het oordeel over totstandkoming van de overeenkomst.
- 3Grief I van Consilium over schending van (pre)contractuele informatieplichten faalt; het oordeel van de kantonrechter over de sanctie blijft in stand.
- 4De ongenummerde grief van Consilium inzake btw slaagt; het gevorderde bedrag wordt aangepast van € 15.370,00 naar € 15.730,00.
- 5De compensatie van proceskosten in eerste aanleg blijft in stand; grief II van Consilium faalt eveneens.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van art. 7:750 lid 1 BW bij de totstandkoming van mondelinge aannemingsovereenkomsten, waarbij eigen verklaringen van partijen tijdens een mondelinge behandeling als sterk bewijs gelden. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking nu het een feitelijke beoordeling betreft in hoger beroep.
Praktische impact
Geïntimeerde is alsnog gehouden tot betaling van het aanneemsom-bedrag inclusief btw (€ 15.730,00) aan Consilium. Particulieren dienen zich bewust te zijn dat mondelinge afspraken met aannemers juridisch bindend kunnen zijn, ook bij latere betwisting.
Onderwerp-impact
In de bouwpraktijk onderstreept deze uitspraak het belang van schriftelijke vastlegging van opdrachten aan aannemers; een mondeling gesprek bij de opdrachtgever thuis kan als grondslag voor een rechtsgeldige aannemingsovereenkomst worden aangemerkt.
Samenvatting
In deze zaak stonden een aannemersbedrijf (Consilium) en een particulier opdrachtgever tegenover elkaar in een geschil over de betaling voor de aanleg van een tegelvloer. In eerste aanleg had de kantonrechter geoordeeld dat er een aannemingsovereenkomst tot stand was gekomen en Consilium deels in het gelijk gesteld, maar de proceskosten gecompenseerd. Beide partijen kwamen in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam. De centrale juridische vraag was of er daadwerkelijk een aannemingsovereenkomst was gesloten voor de tegelvloer, en zo ja, of Consilium haar (pre)contractuele informatieplichten had geschonden met de daarmee gepaard gaande rechtsgevolgen. Geïntimeerde betwistte de totstandkoming van de overeenkomst en voerde aan dat de bewijswaardering onjuist was. Consilium op haar beurt bestreed het oordeel over de informatieplichten en de compensatie van proceskosten, en vorderde tevens correctie van de hoofdsom wegens btw. Het hof oordeelt dat de aannemingsovereenkomst voor de tegelvloer rechtsgeldig tot stand is gekomen in de zin van art. 7:750 lid 1 BW. Doorslaggevend daarvoor is de eigen verklaring van geïntimeerde ter mondelinge behandeling in eerste aanleg, waarin hij verklaarde dat hij tijdens een gesprek op 13 juli 2021 bij hem thuis de opdracht had verstrekt. De grieven van geïntimeerde over de totstandkoming van de overeenkomst en de bewijswaardering falen. Ook de grief van Consilium over de informatieplichten (grief I) en de proceskosten (grief II) worden verworpen; het hof laat de compensatie van proceskosten in stand. Enkel de ongenummerde grief van Consilium inzake de btw-correctie slaagt, waardoor het toe te wijzen bedrag wordt bijgesteld van € 15.370,00 naar € 15.730,00. De bestreden vonnissen worden daarmee grotendeels bekrachtigd met slechts een beperkte aanpassing van het bedrag.