Klacht tegen gerechtsdeurwaarder grotendeels niet-ontvankelijk verklaard
ECLI:NL:GHAMS:2026:2743, Gerechtshof Amsterdam, 08-09-2026, 200.362.042
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Tenuitvoerlegging vonnis ten laste van klaagster; beslag onder UWV. Weigering terugbetaling € 0,09. Onjuiste toepassing beslagvrije voet. Inzage dossier. Doorgaan met executie terwijl klaagster geen verhaal biedt. Klacht deels niet-ontvankelijk deels ongegrond
Kern van de zaak
Een klaagster diende een tuchtklacht in tegen een gerechtsdeurwaarder wegens vermeende weigering tot terugbetaling van te veel ontvangen bedragen en onterecht beslag op vakantiegeld. De zaak betrof onder meer een bedrag van € 0,09 uit 2024 en vakantiegeld uit 2020 dat onder de beslagvrije voet zou vallen.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart klachtonderdeel (a) over het bedrag van € 0,09 niet-ontvankelijk wegens de geringe omvang, en de klacht over vakantiegeld uit 2020 eveneens niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de driejaarstermijn ex artikel 37 lid 2 Gerechtsdeurwaarderswet. De aanvullende klacht over vakantiegeld 2025-2026 wordt buiten beschouwing gelaten omdat deze geen deel uitmaakt van de oorspronkelijke klacht.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een feitelijk kleine zaak met beperkte financiële belangen en past bestaande tuchtrechtelijke regels toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden. De precedentwaarde is gering.
Belangrijkste punten
- 1Klacht over € 0,09 niet-ontvankelijk wegens te gering belang voor tuchtrechtelijk oordeel
- 2Klacht over vakantiegeld 2020 niet-ontvankelijk wegens overschrijding driejaarstermijn (art. 37 lid 2 Gerechtsdeurwaarderswet)
- 3Hof behandelt zaak in volle omvang maar beperkt zich tot oorspronkelijke klacht zoals ingediend bij de kamer
- 4Aanvullende klacht in hoger beroep over vakantiegeld 2025-2026 wordt niet behandeld
- 5De kamer had de klacht eerder al ongegrond verklaard; het hof bevestigt de niet-ontvankelijkheid op andere gronden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de driejaarstermijn in het tuchtrecht voor gerechtsdeurwaarders en de drempel van voldoende belang voor tuchtrechtelijke behandeling. In hoger beroep kunnen geen nieuwe klachtonderdelen worden toegevoegd die niet in eerste aanleg zijn ingediend.
Praktische impact
Schuldenaren die klachten hebben over gerechtsdeurwaarders dienen tijdig te klagen – uiterlijk drie jaar na kennisname van het handelen – en kunnen in hoger beroep geen nieuwe klachten introduceren. Bedragen van verwaarloosbare omvang rechtvaardigen geen tuchtprocedure.
Onderwerp-impact
Voor schuldenaren in executietrajecten onderstreept deze uitspraak het belang van voortvarend handelen bij klachten over de beslagvrije voet en tijdige indiening van tuchtklachten.
Samenvatting
In deze tuchtrechtelijke procedure in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam beoordeelde het hof een klacht van een klaagster tegen een gerechtsdeurwaarder. De klaagster verweet de gerechtsdeurwaarder onder meer het weigeren van de terugbetaling van te veel ontvangen bedragen en het niet respecteren van de beslagvrije voet met betrekking tot vakantiegeld. De kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam had de klacht eerder ongegrond verklaard, waarna klaagster in hoger beroep ging. Het hof stelde voorop dat het de zaak in volle omvang opnieuw beoordeelt, maar dat het daarbij gebonden is aan de oorspronkelijke klacht zoals ingediend bij de kamer. Een door klaagster in hoger beroep nieuw toegevoegde klacht over niet-terugbetaling van vakantiegeld over 2025 en 2026 liet het hof daarom buiten beschouwing. Met betrekking tot klachtonderdeel (a) – de weigering tot terugbetaling van € 0,09 – oordeelde het hof dat dit bedrag te gering is om een tuchtrechtelijk oordeel te rechtvaardigen, en verklaarde dit onderdeel niet-ontvankelijk. De klacht over het vakantiegeld uit 2020 werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze buiten de wettelijke driejaarstermijn van artikel 37 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet viel: het beslag vond plaats in 2020, terwijl de klacht pas op 23 december 2024 door de kamer werd ontvangen, ruim na het verstrijken van de termijn. De uitspraak illustreert de grenzen van het tuchtrecht voor gerechtsdeurwaarders: zowel de tijdigheid van de klacht als de omvang van het belang zijn vereisten voor ontvankelijkheid. De beslissing heeft beperkte precedentwaarde, maar benadrukt voor schuldenaren het belang van tijdig en volledig klagen over vermeende misstanden tijdens executietrajecten.