Hof behandelt voorlopig getuigenverhoor als nieuw verzoek ondanks hoger beroep
ECLI:NL:GHAMS:2026:2646, Gerechtshof Amsterdam, 29-09-2026, 200.360.978
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Diversen. Verzoek voorlopig getuigenverhoor. Het verzoek is onvoldoende bepaald (artikel 196 lid 2 onder a Rv). Verzoeker heeft bovendien niet toegelicht hoe hetgeen hij wil bewijzen zou kunnen leiden tot de door hem gewenste herroeping van twee arresten. Daarmee ontbreekt het vereiste belang (artikel 196 lid 2 onder b Rv). Ook is het verzoek zo ongericht van aard, dat het indienen ervan misbruik van bevoegdheid oplevert (artikel 196 lid 2 onder d Rv). Wetsartikelen: Art. 20 lid 1, 196 lid 2 en 384 lid 1 Rv.
Kern van de zaak
Appellant verzocht een voorlopig getuigenverhoor, aanvankelijk met het oog op een nieuwe vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking bij de rechtbank. In hoger beroep stelde hij echter een nieuwe grondslag: herroeping van twee eerdere hofprocedures. Dit leidde tot de vraag of het hof de zaak inhoudelijk kon behandelen.
Beslissing van de rechter
Het hof kwalificeert het verzoek materieel als een nieuw verzoek in plaats van een zuiver hoger beroep, omdat geen duidelijke grieven zijn geformuleerd en niet is geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking. Het hof acht zich bevoegd de zaak inhoudelijk te behandelen, mede omdat partijen inhoudelijk verweer hebben gevoerd en daardoor niet worden geschaad.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande procesrechtelijke regels toe op een specifieke feitelijke situatie en stelt geen nieuwe rechtsregels; de impact blijft beperkt tot vergelijkbare gevallen van grondslagwijziging in voorlopig-getuigenverhoor-procedures.
Belangrijkste punten
- 1Wijziging van grondslag (ongerechtvaardigde verrijking → herroeping) creëert processuele complicatie over bevoegdheid rechter
- 2Op grond van art. 187 lid 1 Rv (oud) en art. 384 lid 1 Rv is bij herroeping van hofprocedures het hof de bevoegde rechter, niet de rechtbank
- 3Verzoekschrift bevat geen kenbare grieven tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, wat duidt op een nieuw verzoek
- 4Het hof toetst een voorlopig getuigenverhoor aan de limitatieve weigeringsgronden van art. 196 lid 2 Rv
- 5Partijen hebben inhoudelijk verweer gevoerd en worden door de processuele herkwalificatie niet in hun belangen geschaad
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert hoe een grondslagwijziging in hoger beroep de bevoegdheidsverdeling tussen rechtbank en hof kan doorkruisen, en dat het hof een verzoek in dat geval materieel als nieuw verzoek kan behandelen op grond van doelmatigheidsoverwegingen.
Praktische impact
Verzoekers die een voorlopig getuigenverhoor instellen moeten bij het formuleren van de grondslag zorgvuldig bepalen welke rechter bevoegd is; een grondslagwijziging in hoger beroep kan leiden tot onbevoegdheid van de eerder geadieerde rechter.
Onderwerp-impact
Voor partijen die herroeping van een hofuitspraak beogen, geldt dat het verzoek om voorlopig getuigenverhoor rechtstreeks bij het hof moet worden ingediend, niet bij de rechtbank.
Samenvatting
In deze procedure bij het Gerechtshof Amsterdam staat centraal of een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor inhoudelijk kan worden behandeld, nadat appellant in hoger beroep een geheel andere grondslag aanvoerde dan hij bij de rechtbank had gepresenteerd. Bij de rechtbank Noord-Holland had appellant het getuigenverhoor verzocht ter onderbouwing van een toekomstige vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking. In hoger beroep stelt hij echter dat het verhoor dient ter voorbereiding van de herroeping van twee eerdere hofprocedures. Deze grondslagwijziging heeft directe gevolgen voor de bevoegdheidsvraag: op grond van artikel 187 lid 1 Rv (oud) moet een verzoek om voorlopig getuigenverhoor worden ingediend bij de rechter die vermoedelijk bevoegd is van de hoofdzaak kennis te nemen. Nu de beoogde hoofdzaak een herroepingsprocedure bij het hof betreft, volgt uit artikel 384 lid 1 Rv dat niet de rechtbank maar het hof bevoegd was. Het hof constateert voorts dat het verzoekschrift in hoger beroep materieel niet de kenmerken draagt van een regulier hoger beroep: er zijn geen duidelijke grieven geformuleerd tegen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank, en er is niet geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking. Het hof kwalificeert het verzoek daarom materieel als een nieuw, zelfstandig verzoek. Om proceseconomische redenen en omdat de wederpartijen inhoudelijk verweer hebben gevoerd — waardoor zij door de herkwalificatie niet in hun verdedigingsbelang worden geschaad — acht het hof zich bevoegd en gaat het over tot inhoudelijke behandeling. Daarbij hanteert het hof het toetsingskader van artikel 196 lid 2 Rv, op grond waarvan een voorlopig getuigenverhoor in beginsel wordt toegewezen, tenzij sprake is van onvoldoende bepaaldheid, onvoldoende belang, strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen. De verdere inhoudelijke beoordeling is in de beschikbare tekst niet volledig weergegeven.