Hof verbiedt lasterlijke uitlatingen aan aandeelhouders en investeerders
ECLI:NL:GHAMS:2026:2550, Gerechtshof Amsterdam, 15-09-2026, 200.356.816
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Kortgeding -verbod uitlatingen jegens zakenrelatie.
Kern van de zaak
Appellanten stuurden herhaaldelijk e-mails aan aandeelhouders en investeerders van geïntimeerde met ongefundeerde en lasterlijke uitlatingen, kennelijk om betaling van schadevergoeding af te dwingen. Geïntimeerde vorderde in kort geding een verbod op deze uitingen. Het hof oordeelt in hoger beroep over de rechtmatigheid van dit optreden en de positie van de afzonderlijke appellanten.
Beslissing van de rechter
Het hof vernietigt het vonnis gedeeltelijk voor zover dit ziet op appellant ALH en wijst de vorderingen van geïntimeerde jegens ALH af; voor het overige wordt het vonnis bekrachtigd. Doorslaggevend is dat het verbod jegens de overige appellanten terecht is opgelegd vanwege herhaalde, recente onrechtmatige uitingen aan aandeelhouders en investeerders, terwijl het spoedeisend belang ook in hoger beroep nog aanwezig is.
Impactscore
LaagHet betreft een casuïstische kort-gedingbeslissing van het Gerechtshof Amsterdam zonder fundamentele nieuwe rechtsvragen; de juridische uitgangspunten over onrechtmatige uitlatingen en spoedeisend belang zijn bestendig recht.
Belangrijkste punten
- 1Herhaalde e-mails aan aandeelhouders en investeerders in voorjaar 2025 vormen de grondslag voor het onrechtmatigheidsverwijt.
- 2Spoedeisend belang wordt aangenomen ondanks radiostilte na het vonnis in eerste aanleg, omdat dreiging van hervatting voortduurt.
- 3Het vonnis wordt gedeeltelijk vernietigd: vorderingen jegens ALH worden alsnog afgewezen.
- 4Appellanten worden veroordeeld in proceskosten principaal appel (€ 3.407,-); geïntimeerde in kosten incidenteel appel (€ 1.290,- plus rente en nasalaris).
- 5Het argument dat alternatieve oplossingen (correspondentie, nadere uitleg) voorhanden waren, doet niet af aan het spoedeisend belang.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat herhaalde, ongefundeerde uitlatingen aan aandeelhouders en investeerders als onrechtmatig kunnen worden gekwalificeerd en dat een kort-gedingverbod ook na een periode van stilte gerechtvaardigd blijft zolang een reële dreiging van herhaling bestaat. De gedeeltelijke vernietiging ten aanzien van ALH illustreert dat de onrechtmatigheid per afzonderlijke partij moet worden beoordeeld.
Praktische impact
Voor appellanten (met uitzondering van ALH) blijft het verbod op de lasterlijke uitlatingen van kracht, met risico op dwangmaatregelen bij overtreding. Geïntimeerde behoudt bescherming van haar reputatie richting aandeelhouders en investeerders, maar draagt zelf de kosten van het incidenteel appel.
Onderwerp-impact
In geschillen waarbij partijen via gerichte communicatiecampagnes druk uitoefenen op investeerders of aandeelhouders, bevestigt deze uitspraak dat rechters ook in hoger beroep bereid zijn kort-gedingverboden te handhaven zolang herhaling dreigt.
Samenvatting
In deze kort-gedingprocedure in hoger beroep stond centraal of appellanten onrechtmatig hadden gehandeld door herhaaldelijk uitvoerige e-mails te sturen aan aandeelhouders van en investeerders in geïntimeerde, waarin ongefundeerde en lasterlijke uitlatingen werden gedaan. Geïntimeerde stelde dat dit uitsluitend gebeurde om betaling van een schadevergoeding af te dwingen en vorderde een verbod op verdere uitingen, ook met het oog op dreigende publicaties richting media. Appellanten betwistten zowel het spoedeisend belang als de onrechtmatigheid, en stelden onder meer dat alternatieve oplossingen zoals nadere correspondentie voorhanden waren. Het Gerechtshof Amsterdam verwerpt het verweer van appellanten ten aanzien van het spoedeisend belang. Het hof stelt vast dat appellanten in het voorjaar van 2025 tot driemaal toe uitvoerige berichten hebben gestuurd, ook nadat partijen al uitvoerig via advocaten hadden gecorrespondeerd. De recentheid en herhaling van de gewraakte gedragingen rechtvaardigden een spoedeisend belang in eerste aanleg, en dat belang is in hoger beroep blijven bestaan nu weliswaar geen nieuwe uitingen hebben plaatsgevonden, maar een dreiging van herhaling voortduurt. Het hof vernietigt het vonnis gedeeltelijk: de vorderingen van geïntimeerde jegens appellant ALH worden alsnog afgewezen, wat suggereert dat de betrokkenheid van ALH bij de onrechtmatige gedragingen onvoldoende was komen vast te staan. Voor het overige wordt het vonnis – en daarmee het verbod – bekrachtigd. Appellanten worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal appel (€ 3.407,-), terwijl geïntimeerde de kosten van het incidenteel appel draagt (€ 1.290,- plus wettelijke rente en nasalaris van € 178,-). De uitspraak onderstreept dat ook in kort geding de aansprakelijkheid per afzonderlijke gedaagde partij zorgvuldig moet worden vastgesteld.