Hof Amsterdam verklaart zich bevoegd voor kinderalimentatie
ECLI:NL:GHAMS:2026:2113, Gerechtshof Amsterdam, 21-07-2026, C/15/361536 / FA RK 25-515
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van alimentatieverzoek. Artikel: 76 Rv.
Kern van de zaak
Een moeder vraagt kinderalimentatie voor haar 15-jarige kind. De rechtbank Noord-Holland verklaarde zich onbevoegd. De moeder gaat in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam om alsnog een bijdrage van de in de VAE wonende vader te laten vaststellen.
Beslissing van de rechter
Het hof behandelt het hoger beroep van de moeder tegen de onbevoegdverklaring door de rechtbank; de uitkomst van de bevoegdheidsvraag en de inhoudelijke beslissing over de kinderalimentatie zijn op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar. De zaak draait om de vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is nu de vader in de Verenigde Arabische Emiraten woont.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele familiezaak over internationale bevoegdheid bij kinderalimentatie; de inhoudelijke beslissing van het hof is op basis van de verstrekte tekst niet volledig kenbaar, wat de inschatting van de impact beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Rechtbank Noord-Holland verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie
- 2Vader woont in de Verenigde Arabische Emiraten, waardoor internationale bevoegdheid centraal staat
- 3Moeder betoogt dat de Nederlandse rechter wél bevoegd is; vader stelt dat de onbevoegdverklaring juist is
- 4Vader verzoekt subsidiair terugverwijzing naar de rechtbank indien het hof zich bevoegd acht
- 5Reactie van de moeder op het verweerschrift werd buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak illustreert de toepassing van internationale bevoegdheidsregels (waarschijnlijk het Haags Alimentatieprotocol en/of de EG-Alimentatieverordening) bij alimentatieverzoeken waarbij een partij buiten de EU verblijft. De uitkomst kan richtinggevend zijn voor vergelijkbare grensoverschrijdende alimentatiezaken met een verweerder in de VAE.
Praktische impact
Voor de moeder en het kind bepaalt de uitkomst of zij in Nederland verhaal kunnen halen op de in de VAE woonachtige vader. Bij bevoegdverklaring moet de vader mogelijk alsnog een bijdrage betalen; bij bevestiging van de onbevoegdheid moet de moeder elders procederen.
Onderwerp-impact
In internationale familiezaken waarbij één ouder buiten de EU woont, benadrukt deze zaak het belang van een zorgvuldige analyse van de bevoegdheidsgrondslag voordat een alimentatieprocedure bij de Nederlandse rechter wordt gestart.
Samenvatting
In deze zaak verzoekt een in Nederland wonende moeder de rechter een kinderalimentatie vast te stellen voor haar 15-jarige kind. De vader woont in de Verenigde Arabische Emiraten. De rechtbank Noord-Holland (Haarlem) verklaarde zich bij beschikking van 25 november 2025 onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen, vermoedelijk omdat de internationale bevoegdheidsgrondslag ontbrak. De moeder kon zich niet vinden in deze beslissing en stelde op 25 februari 2026 hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam. Tevens verzocht zij het hof voorlopige voorzieningen te treffen. De vader verweert zich en onderschrijft de onbevoegdverklaring. Subsidiair verzoekt hij dat de zaak, mocht het hof zich bevoegd achten, wordt terugverwezen naar de rechtbank. Meer subsidiair meent hij dat het inhoudelijke verzoek van de moeder dient te worden afgewezen. De centrale juridische vraag is of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie wanneer de onderhoudsplichtige vader buiten de EU verblijft. Hierbij spelen vermoedelijk de Alimentatieverordening (EG 4/2009) en het Haags Protocol 2007 een rol, dan wel het commune Nederlandse bevoegdheidsrecht. De verstrekte tekst van de beschikking bevat de procedurele inleiding en de weergave van de standpunten van partijen, maar de inhoudelijke beslissing van het hof over de bevoegdheid en de kinderalimentatie is niet volledig uit de aangeleverde tekst af te leiden. Opvallend is dat het hof de op 26 mei 2026 ingediende reactie van de moeder op het verweerschrift buiten beschouwing liet wegens strijd met de goede procesorde, wat wijst op een strikte handhaving van de procesrechtelijke regels in hoger beroep.