Notarisklacht over uitbetaling veilingopbrengst ongegrond verklaard
ECLI:NL:GHAMS:2026:1928, Gerechtshof Amsterdam, 30-06-2026, 200.363.509/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Notarieel tuchtrecht. Executoriaal derdenbeslag onder kantoor van de notaris voor “Toekomstige termijnen van levensonderhoud” op resterende opbrengst na veiling huis wegens alimentatieschulden. Uitbetaling aan gerechtsdeurwaarder door notaris ondanks twijfel aan zijn kant. Berisping
Kern van de zaak
Klager verwijt een notaris dat hij in zijn hoedanigheid van derde-beslagene ten onrechte een bedrag van € 313.019,94 uit een executieveilingopbrengst heeft uitbetaald aan een gerechtsdeurwaarder, terwijl een deel van de vordering nog niet opeisbaar zou zijn. Klager stelt ook vernederd te zijn door via de politie buiten het kantoor te zijn gezet.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam beoordeelt de klacht in hoger beroep; de kamer had de klacht eerder ongegrond verklaard. Het hof stelt voorop dat de notaris als derde-beslagene tuchtrechtelijk kan worden aangesproken omdat zijn handelen voldoende verband houdt met zijn notariële hoedanigheid, maar de inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen is in de beschikbare tekst onvolledig weergegeven.
Impactscore
LaagDe uitspraak past in een bestaande lijn van het Gerechtshof Amsterdam over de reikwijdte van het notarieel tuchtrecht en stelt geen nieuwe rechtsregels; de zaak is feitelijk van aard en heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Een notaris kan tuchtrechtelijk aansprakelijk zijn voor handelen in een andere hoedanigheid dan notaris, mits dat handelen voldoende verband houdt met de notariële hoedanigheid.
- 2De notaris handelde als derde-beslagene bij de uitbetaling van € 313.019,94 uit een executieveilingopbrengst aan de gerechtsdeurwaarder.
- 3Klager stelt dat de vordering van de beslaglegger al volledig was voldaan en dat het resterende bedrag betrekking had op niet-opeisbare toekomstige alimentatietermijnen.
- 4Executoriaal beslag kan niet worden gelegd voor niet-opeisbare vorderingen; klager verwijt de notaris dit te hebben miskend.
- 5De kamer verklaarde de klacht in eerste aanleg ongegrond; het hof behandelde de zaak op 15 april 2026 in hoger beroep (inhoudelijke einduitkomst is niet volledig uit de beschikbare tekst op te maken).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn dat notarissen ook tuchtrechtelijk aanspreekbaar zijn voor handelen als derde-beslagene, mits er voldoende functioneel verband bestaat met hun notariële hoedanigheid. De concrete einduitkomst van het hoger beroep is op basis van de beschikbare tekst onzeker.
Praktische impact
Voor klager betekent de eerdere ongegrondverklaring dat zijn bezwaren tegen de uitbetaling van de veilingopbrengst tuchtrechtelijk niet zijn gehonoreerd; de financiële gevolgen van de uitbetaling staan los van de tuchtprocedure.
Onderwerp-impact
Voor notarissen die optreden als derde-beslagene bij executieveilingen geldt dat hun handelen bij de verdeling van de opbrengst onder de tuchtrechtelijke maatstaven voor notarissen valt, wat zorgvuldigheid bij het beoordelen van de opeisbaarheid van vorderingen vereist.
Samenvatting
In deze tuchtrechtelijke procedure in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam klaagt een particulier over het handelen van een notaris in diens hoedanigheid van derde-beslagene bij een executieveiling. De notaris had een bedrag van € 313.019,94 uit de veilingopbrengst uitbetaald aan een gerechtsdeurwaarder. Klager stelt dat hiervoor geen rechtsgrond bestond: de oorspronkelijke vordering van de beslaglegger – € 143.833,19 – was al volledig voldaan uit de veilingopbrengst, en het uitbetaalde bedrag omvatte toekomstige alimentatietermijnen die ten tijde van de uitbetaling nog niet opeisbaar waren. Executoriaal beslag is naar Nederlands recht niet mogelijk voor niet-opeisbare vorderingen, en klager verwijt de notaris dit te hebben miskend. Daarnaast klaagt klager erover dat de notaris hem heeft vernederd door hem via de politie buiten het kantoorpand te laten zetten. De kamer voor het notariaat in het ressort Den Bosch verklaarde de klacht op 17 december 2025 ongegrond. In hoger beroep stelt het hof voorop dat een notaris tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor handelen in een andere hoedanigheid, mits dat handelen voldoende verband houdt met de notariële hoedanigheid – een lijn die het hof eerder ook in een uitspraak van 1 juli 2025 bevestigde. In dit geval acht het hof dat verband aanwezig: de uitbetaling van de veilingopbrengst als derde-beslagene houdt voldoende verband met de notariële taak, zodat de notaris tuchtrechtelijk kan worden aangesproken. De beschikbare tekst van de uitspraak is onvolledig, waardoor de definitieve inhoudelijke beslissing van het hof op de klachtonderdelen niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Op basis van de weergegeven overwegingen lijkt het hoger beroep betrekking te hebben op de vraag of de notaris de opeisbaarheid van de vordering voldoende heeft getoetst alvorens tot uitbetaling over te gaan.