Hof bekrachtigt vonnis bij bouwgeschil over meerwerk en handelsrente
ECLI:NL:GHAMS:2026:1927, Gerechtshof Amsterdam, 18-06-2026, 200.347.158/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)-Mondelinge uitspraak. Bouw. Onderaannemer vordert betaling van openstaande termijnen. Hoofdaannemer stelt tegenvorderingen in op de grond dat zij onverschuldigd heeft betaald voor minderwerk en voor niet door haar geaccordeerd meerwerk. Daarnaast vordert zij schade ten gevolge van een bouwstop waarvoor volgens haar de onderaannemer aansprakelijk is. De vorderingen van de onderaannemer worden toegewezen. De tegenvorderingen van de hoofdaannemer stranden op het niet voldoen aan de stelplicht.
Kern van de zaak
Appellant (opdrachtgever) betwist betaalde meerwerknota's ter waarde van €29.803,79 en stelt onverschuldigd te hebben betaald onder druk van aannemer. Geïntimeerde (aannemer) onderbouwt meerwerk met werkbonnen, facturen en WhatsApp-communicatie. De zaak betreft ook het ingangstijdstip van de wettelijke handelsrente.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank in principaal appel; de eerste grief van appellant slaagt niet. In het incidenteel appel vordert geïntimeerde een eerdere ingangsdatum voor de wettelijke handelsrente (vanaf de afzonderlijke factuurtermijnen). De doorslaggevende reden voor afwijzing van de meerwerkvordering is dat geïntimeerde het meerwerk voldoende heeft onderbouwd met werkbonnen, facturen en berichtenverkeer via WhatsApp.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk geschil over meerwerk in een specifieke aannemingsrelatie; de uitkomst is sterk casuïstisch en stelt geen nieuwe rechtsregels. De handelsrentekwestie is beperkt van omvang en volgt bestaande jurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Appellant stelt €29.803,79 onverschuldigd te hebben betaald voor meerwerk en beroept zich op betaling onder economische dreiging (neerleggen werk).
- 2Geïntimeerde onderbouwt meerwerk met werkbonnen, facturen én WhatsApp-correspondentie, waaronder een bericht van appellant zelf d.d. 9 november 2021.
- 3Hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank; de eerste grief van appellant faalt.
- 4In het incidenteel appel vordert de aannemer een eerdere ingangsdatum voor de wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW), te weten vanaf de afzonderlijke factuurtermijnen.
- 5De uitspraak is gebaseerd op onvolledige tekst; de definitieve beslissing over het incidenteel appel (handelsrente) is niet volledig weergegeven.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat betwisting van meerwerk in de bouw voldoende concreet moet worden onderbouwd door de opdrachtgever; werkbonnen en digitale communicatie kunnen gezamenlijk bewijs vormen voor opdrachtverlening en uitvoering van meerwerk. De kwestie rondom de ingangsdatum van wettelijke handelsrente bij aannemingsovereenkomsten (art. 6:119a BW) is processueel relevant maar betreft toepassing van bestaand recht.
Praktische impact
Opdrachtgevers in de bouw die meerwerk betwisten dienen concrete tegenbewijs te leveren; het enkele stellen dat opdracht ontbrak is onvoldoende tegenover gedocumenteerde werkbonnen en digitale communicatie. Aannemers doen er goed aan meerwerk systematisch vast te leggen via werkbonnen én berichtenverkeer.
Onderwerp-impact
In de bouwpraktijk onderstreept dit arrest het belang van schriftelijke vastlegging van meerwerkopdrachten en communicatie; WhatsApp-berichten kunnen rechtens als bewijs dienen voor instemming met meerwerk en de bijbehorende kosten.
Samenvatting
In dit hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam staan twee kwesties centraal: de terugvordering van betaald meerwerk door de opdrachtgever (appellant) en de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente op de hoofdsom. De opdrachtgever stelt in totaal €29.803,79 onverschuldigd te hebben betaald voor meerwerk dat de aannemer (geïntimeerde) in rekening bracht tijdens de uitvoering van een bouwproject. Appellant voert aan dat zij zich gedwongen zag te betalen omdat de aannemer anders het werk zou neerleggen, en dat de aannemer niet heeft aangetoond dat opdracht is gegeven, de prijs is besproken en het meerwerk daadwerkelijk is verricht. De aannemer weerspreekt dit gemotiveerd: zij legt werkbonnen, facturen en WhatsApp-berichten over die de opdrachtverlening en uitvoering van het meerwerk documenteren. Onder meer een bericht van de opdrachtgever zelf van 9 november 2021 wordt aangehaald als onderbouwing. Het hof oordeelt dat de eerste grief van appellant niet slaagt en bekrachtigt in zoverre het vonnis van de rechtbank. De bewijslast ligt bij de partij die betwist, en de overgelegde documentatie vormt een voldoende onderbouwing aan de zijde van de aannemer. In het incidenteel appel vordert de aannemer dat de wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) over de hoofdsom wordt toegewezen met ingang van de datum van de afzonderlijke factuurtermijnen, in plaats van de door de rechtbank gehanteerde datum. De definitieve beslissing op dit punt is in de beschikbare uitspraaktekst niet volledig weergegeven. De zaak illustreert het belang van schriftelijke vastlegging van meerwerkopdrachten in de bouwpraktijk: digitale communicatie zoals WhatsApp kan doorslaggevend bewijs opleveren bij geschillen over opdrachtverlening en uitvoering van meerwerk.