JurispRadar
ECLI:NL:GHAMS:2026:1925Laag28/100

Incidentele vordering schorsing uitvoerbaarheid afgewezen na betaling

ECLI:NL:GHAMS:2026:1925, Gerechtshof Amsterdam, 23-06-2026, 200.363.784/01

Gerechtshof AmsterdamUitspraak: 23 juni 2026Publicatie: 15 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.363.784/01
Aansprakelijkheidsrecht
Burgerlijk procesrecht
Verzekering
Aansprakelijkheid
Dienstverlening
Uitvoerbaarheid Bij Voorraad
Schorsingsincident
Beroepsaansprakelijkheid
Restitutierisico
Beroepsfout

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv, althans zekerheidstelling ex artikel 235 Rv; vonnis is al ten uitvoer gelegd; afwijzing.

Kern van de zaak

Een bedrijf (vermoedelijk een beroepsbeoefenaar) werd door de rechtbank veroordeeld tot betaling van ruim €123.000 aan schadevergoeding wegens een beroepsfout. Het bedrijf vorderde in hoger beroep in een incident schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, dan wel zekerheidstelling, stellende dat de vonnissen berusten op feitelijke en juridische misslagen en dat er een restitutierisico bestaat.

Beslissing van de rechter

Het hof wijst de incidentele vordering van het bedrijf af, omdat de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar de veroordelingen uit het eindvonnis reeds heeft nagekomen door betaling aan de geïntimeerden. Nu de veroordelingen zijn voldaan, heeft het bedrijf geen rechtens te respecteren belang meer bij de gevorderde schorsing of zekerheidstelling.

28van 100

Impactscore

Laag

De beslissing past naadloos binnen de bestaande rechtspraak over art. 351 Rv en voegt geen nieuwe rechtsnorm toe; de uitkomst is sterk feitelijk bepaald door de reeds plaatsgevonden betaling.

Belangrijkste punten

  • 1Betaling door de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar doet het procesbelang bij schorsing van de uitvoerbaarheid vervallen
  • 2Bij de beoordeling van een incident ex art. 351 Rv blijft de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing, tenzij sprake is van een kennelijke misslag
  • 3Het bedrijf voerde aan dat sprake was van een onjuiste kwalificatie als resultaatsverplichting en een onjuist causaal verband, maar dit werd niet beoordeeld wegens gebrek aan belang
  • 4Restitutierisico en mogelijke premiestijging bij de verzekeraar werden als argumenten aangedragen maar konden het belang niet meer herstellen na de betaling
  • 5De uitvoerbaarverklaring bij voorraad in het eindvonnis was ongemotiveerd, maar dat maakte de beslissing niet ongeldig

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste maatstaf bij incidenten tot schorsing van uitvoerbaarheid bij voorraad (art. 351 Rv): voldoening aan het vonnis door of namens de veroordeelde ontneemt het procesbelang aan een dergelijke vordering.

Praktische impact

Voor beroepsbeoefenaren en hun aansprakelijkheidsverzekeraars betekent dit dat betaling aan de wederpartij – ook als dit door de verzekeraar geschiedt – de mogelijkheid om via een incident verdere tenuitvoerlegging te blokkeren definitief afsluit.

Onderwerp-impact

In beroepsaansprakelijkheidszaken leidt tussentijdse betaling door de verzekeraar ertoe dat incidentele vorderingen tot schorsing niet langer ontvankelijk zijn, wat de positie van verzekeraars in hoger beroep beperkt.

Samenvatting

In deze zaak had de rechtbank een bedrijf – vermoedelijk een professionele dienstverlener – veroordeeld tot betaling van ruim € 123.000 aan schadevergoeding wegens een beroepsfout, aangevuld met buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het vonnis was uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zij het zonder nadere motivering. In hoger beroep vorderde het bedrijf in een incident schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, althans veroordeling van de wederpartij tot zekerheidstelling. Het bedrijf stelde dat de vonnissen berustten op feitelijke en juridische misslagen – met name ten aanzien van de kwalificatie als resultaatsverplichting en het causaal verband tussen de beroepsfout en de schade – en dat een aanzienlijk restitutierisico bestond omdat de geïntimeerden de ontvangen gelden direct zouden aanwenden voor aflossing van een overbruggingshypotheek en onvoldoende eigen vermogen hadden. Daarnaast wees het bedrijf op de gevolgen voor de verzekeringspremie van zichzelf en medeverzekerden. Het hof stelde voorop dat bij de beoordeling van een incident als bedoeld in art. 351 Rv moet worden uitgegaan van de beslissingen in het ten uitvoer te leggen vonnis en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen, waarbij de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing blijft – tenzij sprake is van een kennelijke misslag. De centrale vraag was echter of het bedrijf überhaupt nog belang had bij zijn vordering. Het bedrijf had niet betwist dat zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar de veroordelingen uit het eindvonnis reeds had voldaan door betaling aan de geïntimeerden. Het hof oordeelde dat daarmee de veroordelingen waren nagekomen en het bedrijf geen rechtens te respecteren belang meer had bij schorsing of zekerheidstelling. De incidentele vordering werd dan ook afgewezen. De inhoudelijke grieven over resultaatsverplichtingen en causaliteit worden in de hoofdzaak verder behandeld.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 15 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Aansprakelijkheidsrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2083Middel
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2083, Gerechtshof Den Haag, 30-06-2026, 200.332.838/01

Gerechtshof Den Haag30 jun 2026SchadevergoedingOverheid
38/100Bekijk
ECLI:NL:GHSHE:2026:1681Laag
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHSHE:2026:1681, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30-06-2026, 200.356.052_01

Gerechtshof 's-Hertogenbosch30 jun 2026SchadevergoedingZorg
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHAMS:2026:1662Middel
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHAMS:2026:1662, Gerechtshof Amsterdam, 23-06-2026, 200.314.395/01

Gerechtshof Amsterdam23 jun 2026SchadevergoedingAansprakelijkheid
38/100Bekijk
ECLI:NL:GHAMS:2026:1674Laag
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHAMS:2026:1674, Gerechtshof Amsterdam, 23-06-2026, 200.357.614/01

Gerechtshof Amsterdam23 jun 2026AansprakelijkheidVastgoed
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied