Hof Amsterdam: Temper-platform beoordeeld op schijnzelfstandigheid werkers
ECLI:NL:GHAMS:2026:1612, Gerechtshof Amsterdam, 16-06-2026, 200.346.817/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 7:690 BW. Overeenkomst tussen een werker en een opdrachtgever komt tot stand via het online platform van Temper. Vakbonden stellen cao-nakomingsvorderingen, een cao-schadevordering en vorderingen op grond van de WAMCA in. Uitzendovereenkomst tussen Temper en de werker? HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo). HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319 (Uber).
Kern van de zaak
Vakbonden (bonden) hebben Temper, een online arbeidsplatform, gedagvaard omdat zij stellen dat via het platform werknemers als schijnzelfstandigen worden ingezet. De bonden vorderen verklaringen voor recht dat sprake is van uitzendovereenkomsten (art. 7:690 BW), arbeidsovereenkomsten (art. 7:610 BW) of arbeidsbemiddeling in de zin van de Waadi. De zaak betreft collectieve WAMCA-vorderingen en cao-nakomingsvorderingen.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep de grieven van partijen behandeld tegen de rechtbankbeslissing; primaire vorderingen I, II, III en VI en subsidiaire vorderingen I, II en III zijn (deels) toegewezen, de overige vorderingen zijn afgewezen. De doorslaggevende kwestie is de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen Temper-werkers en opdrachtgevers, waarbij het hof de stellingen over schijnzelfstandigheid en de toepasselijkheid van dwingendrechtelijke arbeidsrechtelijke bepalingen beoordeelt. (Opmerking: de uitspraaktekst is onvolledig; de volledige motivering ontbreekt.)
Impactscore
HoogDe zaak betreft een collectieve actie (WAMCA) tegen een groot arbeidsplatform over schijnzelfstandigheid, een maatschappelijk urgent thema; de uitkomst heeft potentieel grote gevolgen voor de gig-economie, al ontbreekt een deel van de motivering in de aangeleverde tekst.
Belangrijkste punten
- 1Bonden stellen dat via Temper-platform sprake is van schijnzelfstandigheid: overeenkomsten van opdracht worden aangeduid, maar zijn in werkelijkheid uitzendovereenkomsten (art. 7:690 BW) of arbeidsovereenkomsten (art. 7:610 BW).
- 2Subsidiair vorderen de bonden een verklaring voor recht dat Temper arbeidsbemiddeling verricht in de zin van art. 1 lid 1 sub b Waadi.
- 3De vorderingen zijn ingesteld als collectieve WAMCA-vorderingen én als cao-nakomingsvorderingen op grond van art. 3 lid 2 Wet AVV.
- 4In hoger beroep hebben de bonden hun meer subsidiaire vorderingen laten varen en de subsidiaire vorderingen uitgebreid met een Waadi-declaratoir.
- 5Primaire vorderingen I, II, III en VI en subsidiaire vorderingen I, II en III zijn (deels) toegewezen; de overige vorderingen zijn afgewezen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak raakt de juridische kwalificatie van platformarbeid en de toepasselijkheid van dwingend arbeidsrecht (art. 7:610 en 7:690 BW) en de Waadi op flex-platformmodellen, met potentieel brede gevolgen voor de gig-economie. De inzet van WAMCA en Wet AVV als handhavingsinstrumenten door vakbonden wordt hiermee verder uitgekristalliseerd.
Praktische impact
Voor Temper en vergelijkbare platforms betekent de uitspraak dat hun bedrijfsmodel onder druk staat: als werkers als uitzendkrachten of werknemers worden gekwalificeerd, gelden cao-verplichtingen en dwingendrechtelijke arbeidsrechtelijke bescherming. Werkers die via Temper werkzaam zijn of waren kunnen aanspraak maken op arbeidsrechtelijke bescherming.
Onderwerp-impact
Voor de platformeconomie en flexibele arbeidsmarkt is dit een relevante uitspraak over de grens tussen zelfstandigenwerk en verkapt werknemerschap via digitale platforms.
Samenvatting
In deze procedure bij het Gerechtshof Amsterdam hebben vakbonden Temper, een online arbeidsplatform dat flexwerkers koppelt aan opdrachtgevers in onder meer de horeca, aangevochten op zijn bedrijfsmodel. De bonden stellen dat de via het platform gesloten 'overeenkomsten van opdracht' in werkelijkheid verkapte arbeids- of uitzendovereenkomsten zijn, en dat de Temper-werkers ten onrechte als zelfstandigen worden gepresenteerd terwijl zij feitelijk dezelfde positie innemen als werknemers of uitzendkrachten. Dit fenomeen wordt aangeduid als schijnzelfstandigheid. De juridische vragen spitsten zich toe op drie alternatieven: (1) kwalificatie als uitzendovereenkomst in de zin van art. 7:690 BW tussen Temper en de werkers, (2) kwalificatie als arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW tussen de werkers en de opdrachtgevers, of (3) kwalificatie van Tempers activiteiten als arbeidsbemiddeling in de zin van de Waadi. De vorderingen zijn ingesteld als collectieve WAMCA-vorderingen en cao-nakomingsvorderingen op grond van art. 3 lid 2 Wet AVV. Het Gerechtshof heeft de primaire vorderingen I, II, III en VI en de subsidiaire vorderingen I, II en III (deels) toegewezen en de overige vorderingen afgewezen. In hoger beroep hebben de bonden hun meer subsidiaire vorderingen laten varen en de subsidiaire vorderingen uitgebreid met een vordering tot verklaring voor recht dat Temper arbeidsbemiddeling verricht in de zin van de Waadi. De volledige motivering van het hof ontbreekt in de aangeleverde uitspraaktekst, waardoor de precieze redenering niet volledig kan worden weergegeven. De uitspraak is desondanks juridisch en maatschappelijk significant, omdat zij de toepasselijkheid van dwingend arbeidsrecht op platformmodellen nader invult en de weg opent voor cao-naleving ten behoeve van een grote groep platformwerkers.