Bankrelatie beëindigd ondanks maatschappelijke zorgplicht bank
ECLI:NL:GHAMS:2026:1271, Gerechtshof Amsterdam, 28-04-2026, 200.352.605
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Opzegging bankrelatie van beheerder Libische staatsfondsen
Kern van de zaak
Appellanten (vermoedelijk bedrijven of particulieren) vochten de beëindiging van hun betaalrekeningen door een bank aan. De bank beëindigde de bankrelaties op grond van artikel 35 Algemene Bankvoorwaarden, vermoedelijk wegens integriteitsrisico's of toezichtrechtelijke eisen. Appellanten stelden dat de bank hiertoe niet gerechtigd was gezien haar maatschappelijke zorgplicht.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank in eerste aanleg en wijst de vorderingen van appellanten grotendeels af, met veroordeling van appellanten in de proceskosten. De doorslaggevende reden is dat de bank een gerechtvaardigd belang had bij beëindiging vanwege integriteitsrisico's of toezichtrechtelijke eisen, en dat de belangen van de bank bij beëindiging zwaarder wogen dan het belang van appellanten bij behoud van de betaalrekeningen.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaand recht toe (HR 2021) zonder nieuwe rechtsnormen te stellen en betreft een feitelijke toepassing op individuele gevallen. De tekst is bovendien incompleet, waardoor de volledige motivering niet beoordeeld kan worden.
Belangrijkste punten
- 1Banken hebben op grond van hun maatschappelijke positie ook jegens niet-consumenten een verplichting om een betaalrekening aan te bieden.
- 2Beëindiging van een bankrelatie op grond van artikel 35 ABV is mogelijk, maar wordt getoetst aan redelijkheid en billijkheid.
- 3Een bank kan een gerechtvaardigd belang hebben bij beëindiging wegens integriteitsrisico's of toezichtrechtelijke eisen (HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652).
- 4De belangen van de cliënt bij behoud van de rekening worden afgewogen tegen de belangen van de bank bij beëindiging.
- 5Het hof bekrachtigt het vonnis in eerste aanleg en veroordeelt appellanten in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het beoordelingskader voor bankbeëindigingen zoals neergelegd in HR 5 november 2021, waarbij de redelijkheids- en billijkheidstoets centraal staat bij de afweging tussen maatschappelijke zorgplicht en integriteitsbelangen van de bank. De uitspraak voegt geen nieuwe rechtsnormen toe maar past het bestaande kader toe op niet-consumenten.
Praktische impact
Appellanten verliezen hun rechtszaak en dienen de proceskosten te dragen, vermeerderd met wettelijke rente. Bedrijven en particulieren die hun betaalrekening zien beëindigd kunnen moeilijk succesvol procederen als de bank afdoende integriteitsgronden kan aantonen.
Onderwerp-impact
Voor de financiële dienstverlening bevestigt deze uitspraak dat banken bij voldoende onderbouwde integriteitsrisico's bankrelaties kunnen beëindigen, ook als dit de bedrijfsvoering van de cliënt ernstig belemmert.
Samenvatting
Deze zaak voor het Gerechtshof Amsterdam betreft de beëindiging van betaalrekeningen door een bank jegens appellanten, vermoedelijk bedrijven of ondernemers. De appellanten verzetten zich tegen deze beëindiging en betoogden dat de bank gehouden was de bankrelatie voort te zetten op grond van haar maatschappelijke zorgplicht. De juridische kernvraag was of de beëindiging op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden standhield in het licht van de redelijkheids- en billijkheidstoets, waarbij het belang van de cliënt bij behoud van een betaalrekening wordt afgewogen tegen het belang van de bank bij beëindiging wegens integriteitsrisico's of toezichtrechtelijke eisen. Het hof stelt voorop dat banken vanwege hun maatschappelijke positie ook jegens niet-consumenten verplicht kunnen zijn een betaalrekening aan te bieden, nu deelname aan het maatschappelijk en economisch verkeer zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is. Tegelijkertijd erkent het hof dat een bank een gerechtvaardigd belang kan hebben om een bankrelatie te beëindigen wanneer sprake is van integriteitsrisico's of toezichtrechtelijke verplichtingen, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1652). Na afweging van alle omstandigheden en belangen concludeert het hof dat de beëindiging in dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd, de vorderingen van appellanten worden grotendeels afgewezen, en appellanten worden veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf zeven dagen na het arrest. De uitspraak bevestigt het bestaande toetsingskader zonder nieuwe rechtsregels te introduceren. Vanwege de beperkte beschikbaarheid van de volledige tekst bestaat enige onzekerheid over de specifieke feitelijke gronden die de bank heeft aangevoerd.