Verzekeraar verliest verhaalsprocedure op bestuurder onder WAM
ECLI:NL:GHAMS:2026:1058, Gerechtshof Amsterdam, 21-04-2026, 200.350.925/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 15 lid 1 WAM, artikel 7:952 BW, criterium roekeloosheid. Geen roekeloos rijgedrag, schade niet van dekking uitgesloten op basis van de polis, beroep van WAM-verzekeraar op de tenzij-bepaling van art. 15 lid 1 WAM slaagt niet, geen regresvordering op de aansprakelijke persoon.
Kern van de zaak
Een WAM-verzekeraar (appellant) probeerde de door haar aan een fietser vergoede schade te verhalen op de bestuurder (geïntimeerde) op grond van art. 15 lid 1 WAM. De verzekeraar stelde dat de bestuurder roekeloos had gereden en daarmee niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid gedekt was. De rechtbank wees de vordering af, waarna de verzekeraar in hoger beroep ging.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de verzekeraar af. De doorslaggevende reden is dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de 'tenzij-bepaling' van art. 15 lid 1 WAM: de bestuurder mocht te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. De verzekeraar wordt veroordeeld in de proceskosten van € 5.066.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een feitelijke toepassing van bestaande jurisprudentie over art. 15 lid 1 WAM en introduceert geen nieuwe rechtsnorm; de juridische lijn is reeds uitgekristalliseerd. De zaak heeft beperkte precedentwerking buiten de directe partijen.
Belangrijkste punten
- 1Art. 15 lid 1 WAM biedt een verzekeraar verhaalsmogelijkheid op de aansprakelijke persoon die geen verzekeringnemer is, maar alleen als deze niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid gedekt was (de 'tenzij-bepaling').
- 2De verzekeraar betoogde dat roekeloos rijgedrag – een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld conform art. 7:952 BW – uitsluitingsgrond vormt en de goede trouw van de bestuurder doorbreekt.
- 3Het hof oordeelt dat niet aan de voorwaarden van de tenzij-bepaling is voldaan; de bestuurder kon te goeder trouw aannemen gedekt te zijn.
- 4Alle vijf grieven van appellant worden gezamenlijk behandeld en verworpen.
- 5De verzekeraar wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep (€ 5.066).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de drempel voor toepassing van de tenzij-bepaling van art. 15 lid 1 WAM hoog ligt: enkel een beroep op roekeloos rijgedrag en polisuitsluitingen is onvoldoende om de goede trouw van een niet-verzekeringnemer bestuurder te doorbreken. Dit sluit aan bij de beschermingsgedachte van de WAM voor derden.
Praktische impact
Voor WAM-verzekeraars betekent dit dat verhaal op bestuurders die geen verzekeringnemer zijn bijzonder moeilijk te realiseren is, ook wanneer polisuitsluitingen wegens roekeloosheid van toepassing zijn. Bestuurders die te goeder trouw rijden in een (for them) gedekt voertuig zijn beschermd tegen regres.
Onderwerp-impact
In de verzekeringsrechtelijke praktijk benadrukt deze uitspraak de beperkte reikwijdte van het regresrecht van de WAM-verzekeraar en de stevige positie van de niet-verzekeringnemer bestuurder bij WAM-dekking.
Samenvatting
In deze appelprocedure bij het Gerechtshof Amsterdam stond centraal of een WAM-verzekeraar de door haar aan een benadeelde fietser uitgekeerde schadevergoeding kon verhalen op de bestuurder die het ongeval veroorzaakte, maar niet de verzekeringnemer was. De verzekeraar (appellant) baseerde haar verhaalsclaim op de 'tenzij-bepaling' van artikel 15 lid 1 WAM. Kern van dit artikel is dat een verzekeraar die schade vergoedt die eigenlijk niet gedekt was, wél verhaal kan halen op een niet-verzekeringnemer bestuurder, maar alleen als die bestuurder niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid gedekt was. De verzekeraar stelde dat de bestuurder roekeloos had gereden – een gedrag dat zij gelijkstelde aan de in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld van art. 7:952 BW – en dat schade door roekeloosheid expliciet van dekking was uitgesloten in de polisvoorwaarden. De bestuurder kon daarom, aldus de verzekeraar, niet te goeder trouw hebben aangenomen dat hij gedekt was. Zowel de rechtbank als het hof verwierpen dit betoog. Het hof behandelde de vijf grieven gezamenlijk en oordeelde dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de tenzij-bepaling. De bestuurder mocht in de gegeven omstandigheden wél te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid door de verzekering was gedekt. Het hof bekrachtigde daarmee het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de verzekeraar in de proceskosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 5.066. De uitspraak illustreert de hoge drempel die de WAM stelt aan verhaal op niet-verzekeringnemer bestuurders, passend bij de beschermingsdoelstelling van de wet ten gunste van verkeersdeelnemers.