Last onder dwangsom herroepen na omgevingsvergunning van rechtswege
ECLI:NL:RVS:2026:5915, Raad van State, 07-10-2026, 202401253/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)In het besluit van 7 juli 2022, zoals gewijzigd met het besluit van 16 januari 2023, heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwolle aan [appellanten sub 2] een last onder dwangsom opgelegd omdat in het pand op het perceel [locatie] in Zwolle drie zelfstandige wooneenheden zijn gerealiseerd, elk afzonderlijk bewoond door één huishouden, zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. De last onder dwangsom ziet op het ongedaan maken van de splitsing van de woning en strekt ertoe het gebruik van het pand terug te brengen tot één woning die bewoond wordt door één huishouden. [appellanten sub 2] zijn sinds 2019 eigenaar van het pand. Op 7 juli 2022 heeft het college aan hen op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 2.3a van de Wabo een last onder dwangsom opgelegd. Het gebruik van de woning is in strijd met het bestemmingsplan "Assendorp", omdat er alleen eengezinswoningen zijn toegestaan. [appellanten sub 2] hebben in een brief van 14 augustus 2025 gesteld dat het college geen procesbelang meer heeft bij het hoger beroep. Het gebruik van de woning is namelijk met de op 24 maart 2020 van rechtswege gegeven omgevingsvergunning gelegaliseerd en het handhavingsbesluit van 7 juli 2022 is met het besluit van 23 juli 2025 volledig ingetrokken omdat er geen sprake was van een overtreding.
Kern van de zaak
Eigenaren van een pand in Zwolle kregen in 2022 een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik in strijd met het bestemmingsplan (drie wooneenheden in plaats van één eengezinswoning). Zij hadden al in 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor legalisatie, die later van rechtswege bleek te zijn verleend.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep van het college gegrond en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit op bezwaar van 7 augustus 2023; tevens wordt het oorspronkelijke handhavingsbesluit van 7 juli 2022 herroepen. De doorslaggevende reden is dat de omgevingsvergunning van rechtswege op 24 maart 2020 is gegeven, waardoor de juridische grondslag voor de last onder dwangsom is komen te vervallen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over vergunningen van rechtswege en handhaving, maar heeft praktische betekenis voor gemeenten die handhaven terwijl een legalisatieaanvraag loopt; geen fundamentele nieuwe rechtsregels worden gesteld.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van art. 4.23 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht (Wabo) van toepassing, omdat de last onder dwangsom vóór 1 januari 2024 werd opgelegd.
- 2De aangevraagde omgevingsvergunning is van rechtswege verleend op 24 maart 2020, zoals vastgesteld bij RvS-uitspraak van 5 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:891).
- 3Het college heeft de last onder dwangsom in een nieuw besluit op bezwaar van 23 juli 2025 zelf al herroepen vanwege het ontbreken van een juridische grondslag.
- 4Het incidenteel hoger beroep van de eigenaren wordt niet-ontvankelijk verklaard.
- 5De zaak illustreert het belang van de fictieve vergunningverlening van rechtswege bij overschrijding van beslistermijnen door het bevoegd gezag.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een van rechtswege verleende omgevingsvergunning met terugwerkende kracht de grondslag voor een handhavingsbesluit wegneemt, ook als dit pas later gerechtelijk wordt vastgesteld. Tevens verduidelijkt de uitspraak de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Praktische impact
Voor de eigenaren betekent dit dat de last onder dwangsom definitief van tafel is en de drie zelfstandige wooneenheden legaal zijn. Gemeenten worden gewaarschuwd dat vertraging bij het beslissen op vergunningaanvragen kan leiden tot vergunningen van rechtswege die lopende handhavingsacties doorkruisen.
Onderwerp-impact
In de vastgoedsector onderstreept deze uitspraak het risico voor gemeenten die handhaven terwijl een legalisatievergunning in behandeling is: een fictieve verlening van rechtswege kan de gehele handhavingsgrondslag ondermijnen.
Samenvatting
In deze zaak stond een last onder dwangsom centraal die het college van burgemeester en wethouders van Zwolle in 2022 had opgelegd aan de eigenaren van een pand in de wijk Assendorp. Het pand werd gebruikt als drie zelfstandige wooneenheden, terwijl het bestemmingsplan uitsluitend eengezinswoningen toestond. De eigenaren hadden echter al in januari 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd om dit gebruik te legaliseren. Kern van de juridische discussie was of de last onder dwangsom standhield, gegeven dat de omgevingsvergunning van rechtswege zou zijn verleend. De Afdeling bestuursrechtspraak had in een eerdere uitspraak van 5 maart 2025 al geoordeeld dat de omgevingsvergunning op 24 maart 2020 van rechtswege was gegeven, doordat het college niet tijdig op de aanvraag had beslist. Het college heeft deze vergunning vervolgens op 18 maart 2025 bekendgemaakt en in een nieuw besluit op bezwaar van 23 juli 2025 de last onder dwangsom herroepen, bij gebrek aan een juridische grondslag. De Afdeling verklaart het hoger beroep van het college gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 januari 2024 en het besluit op bezwaar van 7 augustus 2023, en herroept het primaire handhavingsbesluit van 7 juli 2022. Het incidenteel hoger beroep van de eigenaren wordt niet-ontvankelijk verklaard. Voor het toepasselijke recht geldt op grond van artikel 4.23 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet het oude recht (Wabo), nu de last vóór 1 januari 2024 werd opgelegd. De uitspraak benadrukt dat een fictieve vergunningverlening van rechtswege met terugwerkende kracht de grondslag voor handhaving wegneemt, en waarschuwt gemeenten voor de risico's van trage besluitvorming bij lopende legalisatieaanvragen.