RvS vernietigt handhavingsweigering bij kerktuinmuur opening Weesp
ECLI:NL:RVS:2026:5900, Raad van State, 07-10-2026, 202504532/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een omgevingsvergunning aan [bedrijf A] verleend voor onder meer het maken en hebben van een uitweg, het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht en het bouwen van een toegangspoort op het perceel aan de [locatie 1] in Weesp. [appellante] woont aan de [locatie 2] in Weesp. Zij houdt op dat adres ook haar kantoor. [bedrijf A] is eigenaar van het perceel [locatie 1]. Op dat perceel staat een kerkgebouw dat onder meer in gebruik is als horecagelegenheid, brouwerij en yogastudio. Daarvoor heeft het college op 22 februari 2017 een omgevingsvergunning verleend. Ten noorden van het kerkgebouw staan ten tijde hier van belang twee woningen in het zogenoemde Laurentiushof. Aan de westzijde daarvan ligt de Kerklaan met parallel daaraan een historische kerktuinmuur. [bedrijf A] heeft op 24 oktober 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor onder meer het maken van een opening in de kerktuinmuur en de bouw van een afsluitbare toegangspoort, zodat voertuigen vanaf de Kerklaan toegang hebben tot het perceel en de daarop aanwezige parkeerplaatsen.
Kern van de zaak
Appellante woont aan de Locatie 2 in Weesp en verzet zich tegen een omgevingsvergunning die aan bedrijf A is verleend voor het maken van een opening in een historische kerktuinmuur en het plaatsen van een toegangspoort, zodat voertuigen via de Kerklaan toegang krijgen tot het perceel met parkeerplaatsen. Tevens betwist zij de weigering van het college om handhavend op te treden.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond voor zover het de weigering tot handhaving betreft, vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam op dat punt en vernietigt ook het onderliggende besluit op bezwaar van het college van B&W van Amsterdam van 17 mei 2024. De doorslaggevende reden is dat de weigering om handhavend op te treden juridisch geen stand houdt; het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Impactscore
LaagDe uitspraak is casuïstisch van aard en betreft een lokaal geschil over één perceel; zij stelt geen nieuwe rechtsnormen maar past bestaand handhavings- en overgangsrecht toe. De impact reikt niet verder dan de directe betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de aanvraag dateerde van 24 oktober 2022 (vóór 1 januari 2024), blijft de Wabo van toepassing tot het besluit onherroepelijk is.
- 2Het geding betreft twee afzonderlijke besluiten op bezwaar: één over de verleende omgevingsvergunning en één over het handhavingsbesluit.
- 3De RvS verklaart het hoger beroep uitsluitend gegrond op het onderdeel dat ziet op de weigering te handhaven; het onderdeel over de omgevingsvergunning zelf lijkt niet gehonoreerd.
- 4Het besluit op bezwaar van het college van 17 mei 2024 (kenmerk JB.24.000949.001) wordt vernietigd.
- 5Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij de proceskosten worden vergoed aan appellante.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat handhavingsbesluiten (en weigeringen daartoe) zelfstandig toetsbaar zijn naast een omgevingsvergunning, en dat onvolledige motivering van een handhavingsweigering tot vernietiging leidt. Het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet (art. 4.3 sub a) wordt correct toegepast: voor pre-2024 aanvragen blijft de Wabo gelden.
Praktische impact
Het college van Amsterdam moet opnieuw beslissen op het handhavingsverzoek van appellante, wat betekent dat de situatie rondom de opening in de kerktuinmuur en de toegangspoort voorlopig onzeker blijft voor zowel appellante als bedrijf A. Appellante ontvangt een proceskostenvergoeding.
Onderwerp-impact
Voor eigenaren en omwonenden van monumentale of historische bouwwerken onderstreept deze uitspraak dat een handhavingsweigering deugdelijk gemotiveerd moet zijn, ook wanneer een omgevingsvergunning al is verleend voor aanpassingen aan beschermde structuren zoals historische tuinmuren.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 oktober 2026 betreft een hoger beroep van een bewoonster van de Locatie 2 in Weesp tegen twee besluiten op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het eerste besluit betreft een omgevingsvergunning die aan bedrijf A was verleend voor het aanbrengen van een opening in een historische kerktuinmuur en het plaatsen van een afsluitbare toegangspoort, waarmee voertuigen via de Kerklaan toegang kunnen krijgen tot het kerkperceel en de bijbehorende parkeerplaatsen. Het tweede besluit betreft de weigering van het college om handhavend op te treden tegen (veronderstelde) overtredingen op dat perceel. Een preliminaire kwestie betrof het toepasselijke recht: omdat de vergunningaanvraag was ingediend op 24 oktober 2022, dus vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, blijft op grond van artikel 4.3 aanhef en onder a van de Invoeringswet Omgevingswet de Wabo van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is geworden. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep gegrond is voor zover het de weigering tot handhaving betreft. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2025 wordt op dat punt vernietigd, evenals het onderliggende besluit op bezwaar van het college van 17 mei 2024. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Voor het onderdeel dat ziet op de verleende omgevingsvergunning zelf lijkt het hoger beroep geen succes te hebben gehad, aangezien de vernietiging zich beperkt tot het handhavingsgedeelte. Appellante heeft recht op vergoeding van de proceskosten. De uitspraak illustreert dat handhavingsweigeringen een zelfstandige en indringende rechterlijke toets ondergaan, ook wanneer een omgevingsvergunning al is verleend.