Raad van State beoordeelt ontvankelijkheid hoger beroep bouwstop Uithoorn
ECLI:NL:RVS:2026:5912, Raad van State, 07-10-2026, 202505036/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 9 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn aan [appellante] een bouwstop en een last onder dwangsom opgelegd vanwege bouwwerkzaamheden zonder een daarvoor benodigde omgevingsvergunning op het perceel [locatie] in Uithoorn. [appellante] is eigenaar geweest van het perceel [locatie] in Uithoorn. Op dat perceel was vroeger een hotel gevestigd. Eind 2023 is [appellante] zonder omgevingsvergunning begonnen met het realiseren van een aanbouw aan het hoofdgebouw op het perceel. Volgens het college was dit niet toegestaan, omdat daarmee de maximale oppervlakte aan vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken op het perceel werd overschreden. Het college heeft daarom een bouwstop en een last onder dwangsom opgelegd. Het college heeft geconstateerd dat [appellante] vervolgens verder is gegaan met de bouwwerkzaamheden en heeft daarom een besluit tot invordering van de dwangsom genomen. [appellante] heeft het perceel inmiddels verkocht en is niet langer eigenaar van het perceel.
Kern van de zaak
Appellante begon eind 2023 zonder omgevingsvergunning met een aanbouw aan een voormalig hotelgebouw in Uithoorn. Het college legde een bouwstop en last onder dwangsom op, gevolgd door een invorderingsbesluit. De rechtbank verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is onvolledig; de tekst breekt af voordat de Raad van State zijn oordeel geeft. Op basis van de beschikbare tekst kan worden vastgesteld dat de Raad de vraag beoordeelt of het e-mailbericht van 2 februari 2024 als tijdig ingediend beroepschrift moet worden aangemerkt, en of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Impactscore
LaagHet betreft een individueel handhavingsgeschil over procedurekwesties (ontvankelijkheid/termijn) zonder bredere rechtsontwikkeling; de tekst is bovendien onvolledig waardoor de definitieve uitkomst onbekend is.
Belangrijkste punten
- 1Appellante bouwde zonder omgevingsvergunning een aanbouw, waarmee de maximale oppervlakte voor vergunningsvrije bouwwerken werd overschreden.
- 2Het college legde achtereenvolgens een bouwstop, een last onder dwangsom en een invorderingsbesluit op.
- 3De rechtbank verklaarde beide beroepen niet-ontvankelijk wegens niet-tijdige indiening (artikel 6:7 Awb: zes weken termijn).
- 4Appellante stelt dat haar e-mail van 2 februari 2024 aan de gemeente ten onrechte als klacht en niet als beroepschrift is aangemerkt.
- 5De tekst van de uitspraak is onvolledig; het definitieve oordeel van de Raad van State ontbreekt.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt de grenzen van de beroepstermijn ex artikel 6:7 Awb en de vraag wanneer een informeel geschrift als beroepschrift kan worden gekwalificeerd. De uitkomst is door de onvolledige tekst onbekend.
Praktische impact
Voor appellante is van belang of alsnog inhoudelijk over de bouwstop en dwangsom wordt geoordeeld; zij heeft het perceel inmiddels verkocht, wat de procesbelang-vraag verder compliceert.
Onderwerp-impact
In het omgevingsrecht en de handhavingspraktijk benadrukt deze zaak het belang van tijdige en correcte indiening van rechtsmiddelen bij besluiten over vergunningsvrij bouwen en handhavingsbesluiten.
Samenvatting
In deze zaak staat centraal of appellante tijdig beroep heeft ingesteld tegen twee handhavingsbesluiten van het college van Uithoorn: een bouwstop met last onder dwangsom en een invorderingsbesluit. Appellante was eigenaar van een perceel waarop zij eind 2023 zonder omgevingsvergunning een aanbouw realiseerde aan een voormalig hotelgebouw. Het college stelde dat hiermee de maximale oppervlakte aan vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken werd overschreden en greep handhavend in. Toen appellante doorging met bouwen, werd de dwangsom ingevorderd. De rechtbank Amsterdam verklaarde beide beroepen niet-ontvankelijk, omdat zij oordeelde dat de beroepstermijn van zes weken (artikel 6:7 Awb) was verstreken. Appellante bestrijdt dit in hoger beroep. Zij voert aan dat een e-mailbericht dat zij op 2 februari 2024 aan de gemeente stuurde – naar aanleiding van het besluit op bezwaar – als beroepschrift had moeten worden aangemerkt en niet als klacht. Tevens betoogt zij dat een eventuele termijnoverschrijding verschoonbaar is wegens schending van een geschreven of ongeschreven rechtsbeginsel. De Raad van State brengt de wettelijke beroepstermijn in herinnering en vangt zijn beoordeling aan, maar de beschikbare tekst breekt af voordat het oordeel is uitgesproken. De uitkomst van het hoger beroep is daardoor onbekend. Bijkomende complicatie is dat appellante het perceel inmiddels heeft verkocht, hetgeen vragen oproept over haar procesbelang. De zaak illustreert de strikte handhaving van beroepstermijnen in het bestuursrecht en de smalle marge om informele geschriften als beroepschrift te laten gelden.