Dwangsom recreatiewoning arbeidsmigranten blijft in stand
ECLI:NL:RVS:2026:5901, Raad van State, 07-10-2026, 202405437/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 22 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant A] wegens permanente bewoning van een recreatiewoning op het adres Hoogerwerfsweg “De elf Boompjes” [nummer] in Bruinisse in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het college heeft aan [appellant A] twee lasten onder dwangsom opgelegd wegens permanente bewoning van een recreatiewoning in strijd met het geldende bestemmingsplan op het adres Hoogerwerfsweg “De elf Boompjes” [nummer] in Bruinisse. Op 22 december 2022 heeft het college onder verwijzing naar het rapport over de verrichte controle op 21 september 2022 het volgens het hem verbeurde bedrag van de eerste last onder dwangsom ingevorderd.
Kern van de zaak
Eigenares van een recreatiewoning in Bruinisse (appellant A) en vermeend economisch eigenaar (appellant B) werden door het college geconfronteerd met twee lasten onder dwangsom wegens permanente bewoning in strijd met het bestemmingsplan. De woning werd verhuurd aan JTS Work B.V. voor huisvesting van arbeidsmigranten. Na bezwaar en beroep kwamen appellanten bij de Raad van State terecht.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt het hoger beroep tegen de in stand gelaten lasten onder dwangsom en invorderingsbeschikking; op basis van de beschikbare tekst zijn de besluiten van het college door de rechtbank in stand gelaten. Doorslaggevend is dat permanente bewoning van de recreatiewoning aantoonbaar in strijd was met het geldende bestemmingsplan, en de opgelegde lasten onder dwangsom procedureel correct zijn gevolgd.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaand handhavings- en overgangsrecht toe op een concrete casus zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de beschikbare tekst is bovendien onvolledig, waardoor de uiteindelijke beslissing van de Raad van State niet met zekerheid kan worden vastgesteld.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de lasten vóór 1 januari 2024 zijn opgelegd, blijft de Wabo van toepassing op grond van artikel 4.23 Invoeringswet Omgevingswet.
- 2Twee lasten onder dwangsom opgelegd op 22 april 2022 en 17 oktober 2022 wegens gebruik van recreatiewoning als permanente woonruimte voor arbeidsmigranten.
- 3Invorderingsbeschikking van 22 december 2022 gebaseerd op controle van 21 september 2022 die overtreding vaststelde.
- 4Zowel juridisch eigenaar (appellant A) als vermeend economisch eigenaar (appellant B) zijn aangesproken als overtreder.
- 5Bezwaar en beroep bij de rechtbank bleven zonder succes; de besluiten werden volledig in stand gelaten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet, waarbij vóór 2024 opgelegde lasten onder dwangsom volledig onder het oude Wabo-regime vallen. Dit biedt duidelijkheid over het toepasselijke recht in handhavingszaken die de inwerkingtreding van de Omgevingswet overspannen.
Praktische impact
Eigenaren van recreatiewoningen die worden verhuurd voor arbeidsmigranten lopen een aanzienlijk handhavingsrisico als permanente bewoning in strijd is met het bestemmingsplan; ook economisch eigenaren kunnen als overtreder worden aangesproken.
Onderwerp-impact
In de huisvestingsproblematiek rondom arbeidsmigranten onderstreept deze zaak dat recreatiewoningen niet zonder meer als woonruimte mogen worden ingezet, en dat gemeenten actief kunnen en mogen handhaven via dwangsommen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een handhavingsconflict over de permanente bewoning van een recreatiewoning in Bruinisse door arbeidsmigranten, in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders legde in 2022 twee lasten onder dwangsom op aan de eigenares van de woning (appellant A) en vorderde vervolgens een verbeurde dwangsom in nadat bij een controle in september 2022 was vastgesteld dat de overtreding voortduurde. De woning werd verhuurd aan JTS Work B.V., die de woning gebruikte voor de huisvesting van arbeidsmigranten. De centrale juridische vraag is of de opgelegde lasten onder dwangsom en de invorderingsbeschikking rechtmatig zijn. Een processuele voorvraag betreft het toepasselijke recht: omdat de lasten vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn opgelegd, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht (Wabo) van toepassing totdat de last volledig is uitgevoerd of opgeheven. Zowel het bezwaar als het beroep bij de rechtbank liepen voor appellanten op niets uit: de besluiten van het college werden in beide instanties in stand gelaten. In hoger beroep bij de Raad van State wordt het geschil opnieuw beoordeeld. Op basis van de beschikbare tekst is de volledige einduitspraak niet volledig kenbaar, maar de feitelijke en juridische grondslag voor de handhaving — strijdig gebruik van een recreatiewoning voor permanente bewoning — lijkt stevig verankerd. Opvallend is dat naast de juridisch eigenaar ook de vermeend economisch eigenaar als overtreder wordt aangesproken, hetgeen de reikwijdte van het handhavingsinstrumentarium illustreert. De zaak is relevant voor gemeenten en eigenaren van recreatiewoningen in de context van de huisvesting van arbeidsmigranten.