Raad van State: recreatieve verhuur woning strijdig met bestemmingsplan
ECLI:NL:RVS:2026:5664, Raad van State, 23-09-2026, 202506120/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere [appellanten] (hierna: [appellant A]) gelast om het gebruik in strijd met het bestemmingsplan van zijn woning aan de [locatie], gemeente Veere, te beëindigen en beëindigd te houden onder oplegging van een dwangsom. Hij kan dit doen door het recreatief verhuren van de woning te staken en gestaakt te houden. Een toezichthouder van de gemeente heeft in 2023 en 2024 controles uitgevoerd aan de woning aan de [locatie]. In de daarvan opgemaakte rapporten van bevindingen staat dat de woning werd gebruikt voor recreatieve verhuur. Geconstateerd is dat verschillende mensen in de woning verbleven en dat die mensen de woning kortdurend recreatief gebruikten. De woning werd te huur aangeboden via websites en er werd een huurprijs voor gevraagd. De woning is voorzien van een sleutelkastje. [appellant A] heeft de juistheid van de inhoud van de rapporten niet betwist. Daarom staat vast dat de woning werd gebruikt voor recreatieve verhuur. Het college heeft zich bij het besluit van 5 juni 2024 op het standpunt gesteld dat de recreatieve verhuur geen wonen is en daarom niet in overeenstemming is met artikel 19.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan [naam].
Kern van de zaak
Eigenaar van een woning in Tilburg verhuurt zijn pand kortdurend recreatief via verhuurwebsites terwijl hij elders zijn hoofdverblijf heeft. De gemeente Tilburg heeft een last onder dwangsom opgelegd wegens strijd met het bestemmingsplan. De eigenaar is hiertegen in beroep gegaan.
Beslissing van de rechter
De Raad van State oordeelt dat recreatieve (kortdurende) verhuur van de woning niet kan worden aangemerkt als 'wonen' in de zin van het bestemmingsplan, waardoor het gebruik in strijd is met de woonbestemming. De last onder dwangsom is daarmee rechtmatig opgelegd; het beroep van de eigenaar is ongegrond.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past in een vaste lijn van jurisprudentie rondom vakantieverhuur en woonbestemming, maar heeft praktische relevantie voor gemeentelijke handhaving en woningeigenaren. De toepassing van het overgangsrecht Omgevingswet voegt enige juridische toegevoegde waarde toe.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van het overgangsrecht (art. 4.5 Invoeringswet Omgevingswet) blijft het oude recht van toepassing omdat de zienswijzeprocedure vóór 1 januari 2024 is gestart.
- 2Het bestemmingsplan is onder de Omgevingswet onderdeel geworden van het tijdelijke omgevingsplan, maar de inhoudelijke planregels blijven ongewijzigd van kracht.
- 3De toezichthouder heeft in 2023 en 2024 geconstateerd dat de woning via websites recreatief werd verhuurd; de eigenaar heeft de feiten niet betwist.
- 4Recreatieve kortdurende verhuur kwalificeert niet als 'wonen' in de zin van art. 19.1 lid 1 onder a van de bestemmingsplanregels.
- 5De last onder dwangsom is een rechtmatig handhavingsinstrument bij geconstateerde planologische strijdigheid.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat kortdurende recreatieve verhuur (vakantieverhuur via platforms) planologisch niet gelijkgesteld kan worden aan wonen, en dat gemeenten hiertegen handhavend mogen optreden met een last onder dwangsom. Tevens verduidelijkt de uitspraak de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Praktische impact
Woningeigenaren die hun pand via platforms zoals Airbnb verhuren zonder daarvoor een omgevingsvergunning of afwijkingsbesluit te hebben, lopen een reëel risico op handhaving door de gemeente. De uitspraak onderstreept dat een woonbestemming verhuur voor recreatief gebruik in beginsel niet toestaat.
Onderwerp-impact
Voor de vakantieverhuurmarkt en platformverhuur (short-stay) betekent deze uitspraak een bevestiging dat gemeenten bestemmingsplanregels effectief kunnen inzetten om ongewenste verhuurpraktijken te beëindigen, wat bijdraagt aan de bescherming van de woningvoorraad.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Raad van State betreft een handhavingszaak waarbij de gemeente Tilburg een last onder dwangsom heeft opgelegd aan de eigenaar van een woning die hij niet zelf bewoont maar via verhuurwebsites kortdurend recreatief verhuurt. De eigenaar heeft zijn hoofdverblijf elders en biedt de woning – voorzien van een sleutelkastje – aan tegen betaling via online platforms. Gemeentelijke toezichthouders constateerden in 2023 en 2024 dat verschillende mensen de woning kortdurend recreatief gebruikten. De eigenaar heeft de feitelijke bevindingen niet betwist, waardoor de recreatieve verhuur als vaststaand wordt aangemerkt. Een eerste juridische kwestie betreft het toepasselijke recht: omdat het college de eigenaar vóór 1 januari 2024 al in de gelegenheid had gesteld een zienswijze in te dienen op grond van artikel 4:8 Awb, blijft op grond van artikel 4.5 van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. De Omgevingswet speelt in deze zaak dus geen inhoudelijke rol. De centrale rechtsvraag is of recreatieve kortdurende verhuur kan worden aangemerkt als 'wonen' in de zin van de bestemmingsplanregels. Het college en de Raad van State beantwoorden deze vraag ontkennend: recreatieve verhuur aan wisselende gebruikers die de woning niet als hoofdverblijf of duurzaam onderdak gebruiken, valt niet onder de woonbestemming van artikel 19.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de bestemmingsplanregels. Daarmee is het gebruik in strijd met het (tijdelijke) omgevingsplan en is handhaving gerechtvaardigd. De last onder dwangsom is rechtmatig opgelegd en het beroep van de eigenaar wordt ongegrond verklaard. De uitspraak bevestigt de bevoegdheid en plicht van gemeenten om op te treden tegen ongeoorloofde vakantieverhuur via handhaving van de woonbestemming.