JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4581Laag22/100

Schadevergoeding na schuldhulpverlening afgewezen wegens ontbreken onrechtmatig besluit

ECLI:NL:RVS:2026:4581, Raad van State, 05-08-2026, 202505420/1/A2

Raad van StateUitspraak: 5 augustus 2026Publicatie: 5 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202505420/1/A2
Bestuursrecht
Aansprakelijkheidsrecht
Socialezekerheidsrecht
Schadevergoeding
Overheid
Aansprakelijkheid
Financiele Dienstverlening
Schadevergoeding
Schuldhulpverlening
Saneringskrediet
Onrechtmatig Besluit
Artikel 8 88 Awb

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 17 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen een verzoek van [appellant] om terug te komen van een besluit van 5 augustus 2019, waarbij hij is toegelaten tot de schuldhulpverlening, afgewezen. Bij besluit van 5 augustus 2019 heeft het college een aanvraag van [appellant] om toelating tot schuldhulpverlening ingewilligd. Op 4 september 2019 heeft [appellant] verzocht om intrekking van de schuldhulpverlening. Bij brief van 12 september 2019 heeft het college de intrekking bevestigd en de schuldhulpverlening beëindigd. Op 24 september 2020 heeft [appellant] opnieuw een aanvraag om toelating tot schuldhulpverlening ingediend. Het college heeft deze aanvraag ingewilligd. Bij brief van 25 januari 2021 heeft [appellant] het college verzocht om herziening van het besluit van 5 augustus 2019. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen.

Kern van de zaak

Een burger vroeg het college om herziening van een besluit uit 2019 over toelating tot schuldhulpverlening en diende een verzoek om schadevergoeding in. Hij stelde dat het college hem niet tijdig had geïnformeerd over de beschikbaarheid van een saneringskrediet en dat dit te laat was verstrekt.

Beslissing van de rechter

Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen omdat niet is gebleken van een onrechtmatig besluit in de zin van artikel 8:88 lid 1 Awb. De doorslaggevende reden is dat het college in november 2020 alsnog een saneringskrediet heeft verstrekt en appellant zelf in september 2019 had verzocht om beëindiging van de schuldhulpverlening.

22van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een individuele zaak over schuldhulpverlening zonder principiële rechtsvraag; de uitspraak past binnen bestaand kader van artikel 8:88 Awb en heeft beperkte precedentwerking. Bovendien is de uitspraaktekst onvolledig.

Belangrijkste punten

  • 1Appellant verzocht in 2019 zelf om beëindiging van de schuldhulpverlening, wat een beroep op onrechtmatig handelen bemoeilijkt
  • 2In november 2020 werd alsnog een saneringskrediet verstrekt en een akkoord met schuldeisers bereikt, waardoor herziening van het oorspronkelijke besluit feitelijk zonder belang werd
  • 3Het college had geen informatieplicht over de beschikbaarheid van een saneringskrediet in januari 2020 jegens appellant
  • 4Schadevergoeding via artikel 8:88 Awb vereist een onrechtmatig besluit als grondslag; hiervan was geen sprake
  • 5De uitspraak is gebaseerd op een onvolledige tekst; de uiteindelijke beslissing van de Afdeling ontbreekt, wat enige onzekerheid over de definitieve uitkomst meebrengt

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat voor toewijzing van bestuursrechtelijke schadevergoeding ex artikel 8:88 Awb een onrechtmatig besluit vereist is, en dat herstel van de situatie nadien (verstrekking saneringskrediet) aan het aannemen van onrechtmatigheid in de weg kan staan. Een informatieplicht voor bestuursorganen over beschikbare financiële instrumenten bestaat niet zonder meer.

Praktische impact

Burgers in schuldhulpverlening die zelf om beëindiging verzoeken en nadien een akkoord bereiken, staan vrijwel machteloos bij een schadeclaim jegens het college voor de tussenliggende periode. Het ontbreken van een actieve informatieplicht bij het college vergroot de eigen verantwoordelijkheid van de burger.

Onderwerp-impact

Voor de schuldhulpverlening als uitvoeringsdomein van gemeenten bevestigt deze uitspraak dat gemeenten niet aansprakelijk zijn voor gemiste saneringskredieten als de burger zelf de hulp heeft beëindigd en later alsnog een regeling is getroffen.

Samenvatting

In deze zaak had appellant in 2019 een aanvraag om schuldhulpverlening ingediend, die het college had ingewilligd. Appellant verzocht vervolgens zelf om beëindiging van de schuldhulpverlening in september 2019. In september 2020 deed hij een nieuwe aanvraag, waarna het college in november 2020 alsnog een saneringskrediet verstrekte en een akkoord met schuldeisers tot stand kwam. Daarnaast verzocht appellant om herziening van het oorspronkelijke besluit van augustus 2019. Op de zitting liet appellant weten dat het hem niet meer ging om die herziening zelf, nu het akkoord inmiddels was bereikt. Het geschil spitste zich daardoor toe op zijn verzoek om schadevergoeding. De rechtbank wees het schadeverzoek af omdat geen sprake was van een onrechtmatig besluit als vereist door artikel 8:88 lid 1 Awb. Het college had in november 2020 alsnog een saneringskrediet verstrekt. Of dit te laat was geschied maakte de rechtbank niet doorslaggevend. Bovendien had appellant zelf in 2019 verzocht om beëindiging van de schuldhulpverlening en had het college geen verplichting hem actief te informeren over de beschikbaarheid van een saneringskrediet in januari 2020. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak op 2 juli 2026. De uitspraaktekst is onvolledig weergegeven, waardoor de definitieve beslissing van de Afdeling niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare overwegingen lijkt de Afdeling de redenering van de rechtbank te volgen: zonder een onrechtmatig besluit als grondslag is toewijzing van schadevergoeding via de bestuursrechtelijke route niet mogelijk. De zaak illustreert dat een burger die zelf om beëindiging van schuldhulpverlening verzoekt en later alsnog een regeling treft, weinig juridische ruimte heeft voor een schadeclaim jegens de gemeente.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 5 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4600Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4600, Raad van State, 05-08-2026, 202407120/1/A3

Raad van State5 aug 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4591Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4591, Raad van State, 05-08-2026, 202403948/1/R1

Raad van State5 aug 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4609Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4609, Raad van State, 05-08-2026, 202404306/1/R4.

Raad van State5 aug 2026OverheidVergunningen
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4455Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4455, Raad van State, 05-08-2026, 202301742/1/R1

Raad van State5 aug 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied