Vreemdelingenbewaring asielzoeker rechtmatig bevonden, beroep ongegrond
ECLI:NL:RBDHA:2026:27080, Rechtbank Den Haag, 16-09-2026, NL26.51663
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Kennisgeving artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Alle bewaringsgronden worden door eiser betwist. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende te achten. Daarnaast is de vreemdelingenbewaring op dit moment niet gericht op uitzetting, de beoordeling van een mogelijk risico op réfoulement vindt daarom plaats in de asielprocedure. Verder is de rechtbank van oordeel dat hetgeen eiser aanvoert met betrekking tot zijn recht op familie- en gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM niet slaagt. En heeft de minister ook terecht geen aanleiding gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring op te leggen. Beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een asielzoeker (eiser) is door de minister in vreemdelingenbewaring gesteld in verband met de vaststelling van zijn identiteit of nationaliteit en gegevens ten behoeve van zijn asielaanvraag. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring en verzocht om schadevergoeding.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de gronden voor vreemdelingenbewaring aanwezig zijn, omdat de identiteit of nationaliteit van eiser met onvoldoende zekerheid bekend is en ten minste twee gronden als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit zich voordoen.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele toepassing van bestaande regelgeving rondom vreemdelingenbewaring zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitspraak heeft nauwelijks precedentwerking buiten de concrete zaak.
Belangrijkste punten
- 1De minister kan asielzoekers met rechtmatig verblijf op grond van art. 8 Vw in bewaring stellen ter vaststelling van identiteit/nationaliteit of voor het verkrijgen van benodigde asielgegevens.
- 2Voor bewaring is vereist dat de identiteit of nationaliteit met onvoldoende zekerheid bekend is én ten minste twee gronden van art. 5.6 lid 2 Vb aanwezig zijn.
- 3Een onderduikrisico speelt een rol bij de beoordeling van de noodzaak van vreemdelingenbewaring.
- 4Het beroep tegen de bewaringsmaatregel is ongegrond verklaard; de bewaring wordt als rechtmatig aangemerkt.
- 5Proceskosten worden niet vergoed nu het beroep ongegrond is verklaard.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de geldende wettelijke systematiek voor vreemdelingenbewaring van asielzoekers en de drempelcriteria van artikel 5.6 lid 2 Vb; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Praktische impact
Voor eiser betekent de uitspraak dat de vrijheidsbeneming wordt gehandhaafd en hij geen schadevergoeding ontvangt; hij kan binnen één week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Onderwerp-impact
Asielzoekers van wie de identiteit of nationaliteit onvoldoende vaststaat, kunnen op grond van meerdere samenlopende risicofactoren in bewaring worden gehouden gedurende de behandeling van hun aanvraag.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 16 september 2026 uitspraak gedaan over de rechtmatigheid van een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan een asielzoeker. Eiser, bijgestaan door een gemachtigde en een tolk, was door de minister in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was gebaseerd op de noodzaak om de identiteit of nationaliteit van eiser vast te stellen, dan wel om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 Vw, en die niet zouden kunnen worden verkregen indien eiser niet in bewaring zou worden gehouden. Daarbij speelde een eventueel onderduikrisico een rol. De rechtbank heeft beoordeeld of aan de wettelijke vereisten voor bewaring was voldaan. Op grond van de toepasselijke regelgeving geldt dat de gronden voor bewaring aanwezig zijn indien de identiteit of nationaliteit met onvoldoende zekerheid bekend is én ten minste twee van de gronden uit artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich voordoen. De rechtbank heeft vastgesteld dat aan deze cumulatieve vereisten is voldaan en dat de bewaringsmaatregel daarmee als rechtmatig moet worden aangemerkt. Het beroep van eiser is dan ook ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsbeneming is eveneens afgewezen, nu de bewaring rechtmatig is bevonden. Proceskosten zijn niet toegekend. De uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer. Eiser heeft de mogelijkheid om binnen één week hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De zaak betreft een routinematige toepassing van het bestaande vreemdelingenbewaringsrecht en heeft geen richtinggevende werking.