Hoge Raad: Nederlandse proceskostenregeling niet in strijd met Unierecht
ECLI:NL:HR:2026:1494, Hoge Raad, 18-09-2026, 25/02829
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belasting van personenauto's en motorrijwielen. Formeel recht. Artt. 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; art. 6 EVRM. Vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redeljke termijn; in aanmerking te nemen termijn en bedrag. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel; geen verplichting tot mondeling horen.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) vorderde volledige vergoeding van rechtsbijstandskosten in bestuursrechtelijke procedures, stellende dat de Nederlandse forfaitaire proceskostenregeling (Awb/Besluit proceskosten bestuursrecht) in strijd is met het Unierecht wegens gekwalificeerde schendingen daarvan. Tevens werd een hogere immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn geclaimd.
Beslissing van de rechter
De middelen gericht tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding worden verworpen zonder nadere motivering op grond van artikel 81 lid 1 Wet RO. De Hoge Raad sluit aan bij zijn arrest van 17 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1244) en ziet geen aanleiding prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen; de Nederlandse proceskostenregeling is niet in strijd met het Unierecht.
Impactscore
HoogDe uitspraak is gewezen door de Hoge Raad en bevestigt een fundamentele regel over de verhouding tussen de Nederlandse proceskostenregeling en het Unierecht, voortbouwend op een recent kernarrest. De directe praktische impact op grote groepen belastingplichtigen en bestuursrechtelijke procedures is aanzienlijk, maar omdat de Hoge Raad terugverwijst naar zijn arrest van 17 juli 2026 zonder nieuwe rechtsregels te formuleren, is de score niet maximaal.
Belangrijkste punten
- 1De forfaitaire proceskostenregeling van artikel 7:15 lid 2 en artikel 8:75 Awb jo. Besluit proceskosten bestuursrecht is verenigbaar met het Unierecht.
- 2Bij gekwalificeerde schendingen van het Unierecht bestaat geen rechtstreeks uit het Unierecht voortvloeiend recht op volledige proceskostenvergoeding.
- 3De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 17 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1244) als leidend precedent voor dit geschilpunt.
- 4De Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm mag onverkort worden toegepast; strijd met Unierecht is niet aangetoond.
- 5De immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens termijnoverschrijding blijft in stand; het arrest Scordino (EHRM 29 maart 2006) biedt geen grond voor verhoging.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse forfaitaire proceskostenregeling in het bestuursrecht Unierechtelijk houdbaar is en dat een beroep op gekwalificeerde schending van het Unierecht geen recht geeft op integrale proceskostenvergoeding. Dit sluit aan bij en consolideert het arrest van 17 juli 2026, waarmee de lijn definitief lijkt vastgelegd.
Praktische impact
Belastingplichtigen en andere rechtzoekenden in bestuursrechtelijke procedures kunnen ook bij (gestelde) schendingen van het Unierecht geen aanspraak maken op volledige vergoeding van advocaatkosten; de forfaitaire vergoeding blijft de norm.
Onderwerp-impact
Voor overheden en belastingdiensten bevestigt deze uitspraak dat de proceskostensystematiek zoals neergelegd in de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht stand houdt, ook in gevallen met een Unierechtelijke dimensie.
Samenvatting
In deze zaak stelde een belastingplichtige (belanghebbende) dat de Nederlandse forfaitaire regeling voor proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedures – neergelegd in artikel 7:15 lid 2 en artikel 8:75 Awb en uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht – in strijd is met het Unierecht. Belanghebbende betoogde dat hij vanwege gekwalificeerde schendingen van het Unierecht rechtstreeks recht had op een volledige vergoeding van zijn advocaatkosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Daarnaast betwistte hij de door Rechtbank en Hof vastgestelde immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, onder verwijzing naar het EHRM-arrest Scordino tegen Italië (2006). De Hoge Raad verwerpt alle betrokken middelen. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding volstaat de Raad met een verwijzing naar artikel 81 lid 1 Wet RO – een motiveringsuitzondering – en naar zijn arrest van 17 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1244), waarin hij uitvoerig heeft gemotiveerd dat de Nederlandse proceskostenregeling verenigbaar is met het Unierecht en dat geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU te stellen. De stelling dat de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het Unierecht, wordt eveneens verworpen. Ook de grief tegen de immateriële schadevergoeding faalt: het Hof heeft terecht geoordeeld dat het arrest Scordino geen grond biedt voor een hogere vergoeding dan € 1.000, nu de omvang van de schadevergoeding afhangt van diverse omstandigheden zoals complexiteit van de zaak en de houding van partijen. Deze uitspraak consolideert de lijn die de Hoge Raad eerder in 2026 heeft ingezet: een rechtstreeks uit het Unierecht voortvloeiend recht op integrale proceskostenvergoeding bestaat niet, ook niet bij gekwalificeerde schendingen van het Unierecht. Voor de rechtspraktijk betekent dit dat de forfaitaire proceskostensystematiek in bestuursrechtelijke procedures – inclusief belastingzaken – juridisch stevig verankerd blijft.