Hoge Raad verduidelijkt proceskostenvergoeding WOZ buiten no-cure-no-pay
ECLI:NL:HR:2026:1486, Hoge Raad, 18-09-2026, 24/03011 bis
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Wet waardering onroerende zaken; procesrecht; art. 8:75, lid 1, Awb; wegingsfactor: herberekening proceskostenvergoeding beroepsfase; eindarrest na tussenarrest HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:827
Kern van de zaak
Een belanghebbende procedeert tegen de gemeente Amsterdam over de hoogte van de proceskostenvergoeding in een WOZ-procedure. In geschil is of de beperkende regels van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) van toepassing zijn, of dat sprake is van een 'bijzonder geval' dat recht geeft op een hogere vergoeding.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en vernietigt de uitspraken van het Hof en de Rechtbank voor zover deze betrekking hebben op de proceskostenbeslissing. De doorslaggevende reden is dat de WHpkv alleen van toepassing is op gevallen waarbij alle drie de kenmerken van het no-cure-no-pay-bedrijfsmodel aanwezig zijn; ontbreken één of meer kenmerken, dan is sprake van een bijzonder geval met recht op een (hogere) vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Impactscore
HoogHet betreft een Hoge Raad-uitspraak die een fundamentele verduidelijking geeft van de reikwijdte van de WHpkv en directe gevolgen heeft voor een grote groep WOZ- en bpm-procedures in Nederland; het is echter een verfijning van een reeds in januari 2025 uitgezette lijn en geen geheel nieuw rechtsoordeel.
Belangrijkste punten
- 1De WHpkv beoogt overcompensatie te bestrijden die ontstaat bij no-cure-no-pay-kantoren die proceskostenvergoedingen als verdienmodel gebruiken.
- 2Alle drie de kenmerken moeten cumulatief aanwezig zijn: no cure no pay, afdracht proceskostenvergoeding aan gemachtigde/kantoor, én procedures gevoerd op wijze waarbij vergoedingen kosten ver overtreffen.
- 3Ontbreekt (één van) deze kenmerken, dan kwalificeert het geval als 'bijzonder geval' in de zin van art. 19a Wet bpm / vergelijkbare WOZ-bepaling, met recht op volledige vergoeding conform het Besluit.
- 4De Hoge Raad bevestigt en verfijnt de in het arrest van 17 januari 2025 uitgezette lijn over de reikwijdte van de WHpkv.
- 5De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 234 en gemeente Amsterdam moet griffierecht van € 138 vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
Dit arrest verduidelijkt de reikwijdte van de WHpkv en bevestigt dat de beperkende proceskostenregeling niet geldt voor alle WOZ- en bpm-procedures, maar uitsluitend voor gevallen waarbij cumulatief aan alle drie de kenmerken van het no-cure-no-pay-bedrijfsmodel wordt voldaan. Daarmee wordt de beschermende uitzondering voor 'bijzondere gevallen' concreet en toepasbaar gemaakt.
Praktische impact
Belastingplichtigen die buiten het no-cure-no-pay-model procederen over WOZ of bpm kunnen aanspraak blijven maken op de reguliere (hogere) proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gemeenten en heffingsambtenaren dienen per geval te toetsen of alle drie de kenmerken aanwezig zijn voordat zij de lagere WHpkv-tarieven toepassen.
Onderwerp-impact
Voor de vastgoedmarkt en eigenaren van onroerend goed biedt dit arrest duidelijkheid dat individuele bezwaar- en beroepsprocedures over WOZ-waarderingen niet automatisch worden afgeknepen door de WHpkv-beperkingen, mits zij niet via een typisch no-cure-no-pay-kantoor worden gevoerd.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal de vraag in hoeverre de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) van toepassing is op een procedure van een individuele belanghebbende tegen de gemeente Amsterdam over de WOZ-waardering. De lagere rechters hadden geoordeeld dat de beperkende proceskostenregeling van de WHpkv van toepassing was, waardoor de toegekende proceskostenvergoeding aanzienlijk lager uitviel dan op grond van het reguliere Besluit proceskosten bestuursrecht het geval zou zijn geweest. De Hoge Raad vernietigt deze oordelen en geeft een heldere afbakening van de personele reikwijdte van de WHpkv. De wet is uitsluitend bedoeld om overcompensatie te bestrijden die optreedt bij professionele no-cure-no-pay-gemachtigden wier bedrijfsmodel is gebaseerd op het opstrijken van proceskostenvergoedingen. Daarvoor moeten drie kenmerken cumulatief aanwezig zijn: (i) optreden op basis van no cure no pay, (ii) contractuele afdracht van de proceskostenvergoeding aan de gemachtigde of het kantoor, en (iii) het op zodanige wijze voeren van procedures dat de vergoedingen de redelijkerwijs gemaakte kosten ver overtreffen. Zijn niet alle drie deze kenmerken aanwezig, dan is sprake van een 'bijzonder geval' in de zin van de Wet bpm en de Wet WOZ, waarbij recht bestaat op een volledige vergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit arrest bouwt voort op het arrest van 17 januari 2025, maar concretiseert de toetsingscriteria verder en maakt duidelijk dat rechters en heffingsambtenaren per geval moeten nagaan of aan alle drie de kenmerken is voldaan. De praktische betekenis is groot: belastingplichtigen die zonder no-cure-no-pay-constructie procederen over WOZ of bpm worden beschermd tegen de verlagingen van de WHpkv. De Hoge Raad stelt de proceskostenvergoeding vast op € 234 en draagt de gemeente Amsterdam op het griffierecht van € 138 terug te betalen.