RvS vernietigt weigering Schadefonds bij disproportioneel geweld
ECLI:NL:RVS:2026:4571, Raad van State, 05-08-2026, 202600112/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) de aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) afgewezen. [appellant] heeft op 10 maart 2023 bij de CSG een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij is mishandeld en daardoor ernstig letsel heeft bekomen. De CSG heeft op 12 oktober 2023, gehandhaafd bij besluit van 12 april 2024, geweigerd aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds toe te kennen. Volgens de CSG heeft [appellant] een eigen aandeel gehad in het opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf waarvan hij slachtoffer is geworden, doordat hij als eerste een duw gaf aan de partner van de dader. Verder vindt zij dat het geweld dat tegen hem is gebruikt in verhouding staat tot hetgeen hem te verwijten valt.
Kern van de zaak
Appellant vroeg een uitkering aan bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven na een mishandeling waarbij hij ernstig letsel (categorie 4) opliep. De CSG weigerde de uitkering omdat appellant zelf als eerste een duw zou hebben gegeven aan de partner van de dader. Zowel de CSG als de rechtbank oordeelden dat dit eigen aandeel een volledige weigering rechtvaardigde.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van de CSG van 12 april 2024. De doorslaggevende reden is dat de CSG onvoldoende heeft beoordeeld of de aard en ernst van het eigen aandeel (een lichte duw) in verhouding staan tot het excessieve geweld dat tegen appellant is gebruikt (nekklem, meermalen optillen), en dat een volledig afwijzen bij disproportioneel tegenweld nadere motivering vereist.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktische betekenis voor de uitvoeringspraktijk van de CSG en voor slachtoffers die een eigen aandeel wordt tegengeworpen, maar betreft een bestaand rechtsbeginsel (evenredigheid) toegepast op een feitelijk geschil; er worden geen nieuwe fundamentele rechtsregels gesteld.
Belangrijkste punten
- 1Een eigen aandeel van het slachtoffer rechtvaardigt niet automatisch een volledige weigering van de Schadefonds-uitkering; de aard en ernst van het verwijt moeten worden afgewogen tegen het gebruikte geweld.
- 2De CSG baseerde haar besluit grotendeels op verklaringen van de dader en zijn partner, die onvoldoende objectief worden geacht om de conclusie van eigen aandeel te dragen.
- 3Het gebruikte geweld (nekklem, meermalen bij de nek optillen gedurende minuten) was naar het oordeel van de Afdeling disproportioneel ten opzichte van een eventuele lichte duw.
- 4Appellant leed ernstig letsel (letselcategorie 4), wat het belang van een deugdelijke evenredigheidstoets verder onderstreept.
- 5De CSG moet binnen 12 weken een nieuw besluit op bezwaar nemen, waarbij zij de evenredigheid tussen eigen aandeel en toegepast geweld kenbaar dient te motiveren.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak verduidelijkt dat bij toepassing van de eigen-aandeelgrond in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven een volledige weigering een kenbare evenredigheidstoets vereist waarbij de ernst van het verweten gedrag wordt afgezet tegen de aard en ernst van het gepleegde geweld. Dit stelt hogere motiveringseisen aan de CSG bij het hanteren van artikel 6 lid 1 sub a Wet schadefonds.
Praktische impact
Slachtoffers van geweldsmisdrijven aan wie een eigen aandeel wordt verweten, kunnen zich nu sterker beroepen op de verplichting van de CSG om de proportionaliteit van een volledige weigering expliciet te onderbouwen, met name wanneer het gepleegde geweld de gestelde eigen gedraging in ernst ver overtreft.
Onderwerp-impact
Voor de uitvoeringspraktijk van het Schadefonds Geweldsmisdrijven betekent dit dat de CSG bij vergelijkbare zaken niet kan volstaan met het vaststellen van een eigen aandeel, maar steeds een kenbare en gemotiveerde afweging moet maken over de mate van verwijtbaarheid in relatie tot de ernst van het ondergane geweld.
Samenvatting
Appellant vroeg in maart 2023 een uitkering aan bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) nadat hij bij een incident ernstig letsel had opgelopen (letselcategorie 4). De CSG weigerde de uitkering omdat appellant als eerste fysiek geweld zou hebben gebruikt door de partner van de dader een duw te geven, en stelde dat het geweld dat vervolgens tegen hem werd gebruikt in verhouding stond tot zijn eigen aandeel. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit standpunt in december 2025, onder meer op grond van processen-verbaal en een beschikking van het gerechtshof. In hoger beroep betoogde appellant met succes dat de verklaringen van de dader en zijn partner onvoldoende objectief zijn om zijn eigen aandeel vast te stellen, en — belangrijker — dat een eigen aandeel niet automatisch een volledige weigering rechtvaardigt. Hij wees op de disproportionaliteit van het gebruikte geweld: hij zou een lichte duw hebben gegeven, terwijl hij met een nekklem meermalen bij de nek van de grond werd opgetild gedurende enkele minuten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de rechtbankuitspraak als het besluit van 12 april 2024. De kern van het oordeel is dat de CSG niet kenbaar heeft beoordeeld of de aard en ernst van het eigen aandeel in verhouding staan tot de ernst van het geweld dat appellant heeft ondergaan. Een volledige afwijzing vereist een expliciete evenredigheidstoets. De CSG wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij zij deze afweging alsnog deugdelijk dient te motiveren. De uitspraak bevestigt en concretiseert de motiveringseisen bij toepassing van de eigen-aandeelgrond in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.