Beroep tegen appartementenplan Lochem ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4566, Raad van State, 05-08-2026, 202501745/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 4 februari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lochem het wijzigingsplan "Zuiderbleek Lochem" gewijzigd vastgesteld. Het wijzigingsplan voorziet in de mogelijkheid om een appartementengebouw met maximaal 41 appartementen te realiseren op de percelen langs de Zuiderbleek in Lochem waar eerder een supermarkt was gevestigd. Het college heeft het wijzigingsplan vastgesteld met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 21.1.1, gelezen in samenhang met artikel 21.1.2 van de regels van het bestemmingsplan "Binnenstad Lochem", dat ziet op de herstructurering van dit plangebied. [appellant] woont aan de [locatie] in Lochem. Zijn perceel grenst aan de noordwestzijde van het wijzigingsplangebied. Hij vreest dat de ontwikkeling leidt tot een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat.
Kern van de zaak
Een omwonende aan de Zuiderbleek in Lochem heeft beroep ingesteld tegen een wijzigingsplan dat de bouw van maximaal 41 appartementen op de voormalige supermarktlocatie mogelijk maakt. De appellant, wiens perceel grenst aan het plangebied, vreest verslechtering van zijn woon- en leefklimaat. Het college van B&W had het wijzigingsplan vastgesteld op basis van een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan 'Binnenstad Lochem'.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het beroep ongegrond. De doorslaggevende reden is dat het college rechtmatig gebruik heeft gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan en de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming als gegeven mag worden beschouwd nu aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan.
Impactscore
LaagHet betreft een enkelvoudige kamerbeslissing over een specifiek lokaal wijzigingsplan zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak past binnen bestaande, vaste jurisprudentie over wijzigingsbevoegdheden en het overgangsrecht van de Omgevingswet.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat het ontwerpplan vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd (14 december 2023), blijft het oude recht (Wro en Chw) van toepassing.
- 2De wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan 'Binnenstad Lochem' biedt de grondslag voor het wijzigingsplan; planologische aanvaardbaarheid wordt in beginsel als gegeven beschouwd bij voldoening aan wijzigingsvoorwaarden.
- 3Het wijzigingsplan voorziet in maximaal 41 appartementen op de locatie van een voormalige supermarkt langs de Zuiderbleek in Lochem.
- 4Appellant heeft twee beroepsgronden (locatie elektriciteitshuisje en anonimisering bijlagen) op de zitting ingetrokken.
- 5Er worden geen proceskosten vergoed.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het bestaande toetsingskader voor wijzigingsplannen: zodra aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan, geldt de planologische aanvaardbaarheid als een gegeven en is de rechterlijke toetsingsruimte beperkt. Voorts verduidelijkt de uitspraak de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Praktische impact
De appellant kan de bouw van het appartementengebouw met maximaal 41 wooneenheden op de voormalige supermarktlocatie niet tegenhouden; de ontwikkeling kan planologisch doorgang vinden.
Onderwerp-impact
Voor woningbouwprojecten in bestaande bebouwde omgevingen bevestigt deze uitspraak dat een correcte toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uit een bestemmingsplan een robuuste planologische basis biedt die moeilijk met succes juridisch aan te vechten is door omwonenden.
Samenvatting
In deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 augustus 2026 staat een wijzigingsplan centraal dat de gemeente Lochem heeft vastgesteld voor de herontwikkeling van een voormalige supermarktlocatie aan de Zuiderbleek. Het plan maakt de bouw van een appartementengebouw met maximaal 41 wooneenheden mogelijk. Een omwonende, wiens perceel aan de noordwestzijde grenst aan het plangebied, heeft beroep ingesteld omdat hij een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat vreest. Een eerste procedureel aandachtspunt betreft het toepasselijke recht. Hoewel de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking is getreden, is het ontwerpplan al op 14 december 2023 ter inzage gelegd. Op grond van het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet blijft daardoor het oude recht – waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet – van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is. Inhoudelijk toetst de Afdeling het wijzigingsplan aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 21.1.1 van het bestemmingsplan 'Binnenstad Lochem'. Volgens vaste jurisprudentie mag de planologische aanvaardbaarheid van een nieuwe bestemming in beginsel als een gegeven worden beschouwd zodra aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling op rechtmatige wijze van deze bevoegdheid gebruikgemaakt. De appellant had aanvankelijk ook beroepsgronden aangevoerd over de locatie van een elektriciteitshuisje en de anonimisering van bijlagen bij de plantoelichting, maar heeft deze op de zitting ingetrokken. De overige gronden zijn door de Afdeling ongegrond bevonden. De Afdeling verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak past geheel binnen bestaande jurisprudentie en heeft daarmee een beperkte precedentwerking, maar illustreert opnieuw de beperkte toetsingsruimte voor omwonenden bij wijzigingsplannen die steunen op een correcte toepassing van een wijzigingsbevoegdheid.