Schadevergoeding aardbevingsschade bloemenzaak Appingedam gedeeltelijk toegewezen
ECLI:NL:RVS:2026:4307, Raad van State, 22-07-2026, 202504663/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 26 januari 2024 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant] een schadevergoeding toegekend van € 10.666,67, vermeerderd met wettelijke rente van € 1.051,93, voor waardedaling van het winkelgedeelte van zijn pand. [appellant] was tot 15 december 2020 eigenaar van een pand met winkel- en bedrijfsruimte en bovenwoning aan de [locatie] in Appingedam. In de winkel- en bedrijfsruimte op de begane grond exploiteerde [appellant] een bloemenzaak- en binderij. In 2011 heeft [appellant] het pand te koop gezet voor € 495.000. Op 13 november 2020 heeft [appellant] het pand verkocht voor € 235.000. Uit de akte van levering van 15 december 2020 volgt dat € 75.000 van de verkoopprijs is toegekend aan het winkelgedeelte en € 160.000 aan de woning. [appellant] heeft op 17 september 2020 het Instituut verzocht om vergoeding van waardedaling van de bovenwoning. Bij besluit van 8 juni 2021 heeft het Instituut een vergoeding van € 10.970,29, vermeerderd met de wettelijke rente, toegekend. Dit besluit is in rechte onaantastbaar.
Kern van de zaak
Een voormalig eigenaar van een pand in Appingedam met bloemenzaak en bovenwoning vordert bij de Raad van State een hogere schadevergoeding voor waardedaling van het winkelgedeelte als gevolg van aardbevingsschade door gaswinning. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kende slechts € 10.666,67 toe op basis van de waardedalingsregeling voor niet-woningen.
Beslissing van de rechter
De Raad van State beoordeelt of de waardedalingsregeling voor niet-woningen aanvaardbaar en redelijk is, correct is toegepast en tot een evenredige uitkomst leidt. De uitspraak is op basis van de beschikbare tekst onvolledig weergegeven, waardoor de definitieve beslissing niet met zekerheid kan worden vastgesteld.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een individueel geval van waardedaling van commercieel vastgoed in het aardbevingsgebied, maar de vraag naar de aanvaardbaarheid van de waardedalingsregeling voor niet-woningen kan bredere gevolgen hebben voor vergelijkbare eigenaren. De impactscore blijft middel omdat de uitspraak casuïstisch van aard is en de tekst onvolledig is.
Belangrijkste punten
- 1Appellant verkocht zijn pand in 2020 voor € 235.000, terwijl hij het in 2011 te koop had gezet voor € 495.000 — een substantiële waardedaling.
- 2Voor de bovenwoning was al eerder een onherroepelijke vergoeding van € 10.970,29 toegekend; de procedure betreft uitsluitend het winkelgedeelte.
- 3Het Instituut kende op basis van de regeling voor niet-woningen € 10.666,67 toe voor waardedaling van het winkelgedeelte.
- 4De regeling voor niet-woningen is tot stand gekomen via een adviescommissie (Adviescommissie Waardedaling niet-woningen) benoemd in 2021, na aanhouding van de aanvraag.
- 5De centrale rechtsvraag betreft de aanvaardbaarheid, redelijkheid en evenredige toepassing van de waardedalingsregeling voor niet-woningen onder de Tijdelijke wet Groningen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak raakt de juridische houdbaarheid van de waardedalingsregeling voor niet-woningen onder de Tijdelijke wet Groningen en kan precedentwerking hebben voor vergelijkbare zaken van commercieel vastgoedeigenaren in het aardbevingsgebied. Vanwege de onvolledige tekst is de precieze juridische uitkomst onzeker.
Praktische impact
Voor eigenaren van commercieel vastgoed in het Groningse aardbevingsgebied is deze uitspraak relevant bij het bepalen of de vastgestelde schadevergoeding voor waardedaling recht doet aan het daadwerkelijke waardeverlies.
Onderwerp-impact
De uitspraak is relevant voor de afwikkeling van mijnbouwschade in Groningen en de reikwijdte van schadevergoeding voor niet-woningen, wat gevolgen heeft voor de retail- en vastgoedsector in het aardbevingsgebied.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep bij de Raad van State van een voormalig eigenaar van een pand aan de [locatie] in Appingedam. Appellant exploiteerde in het pand een bloemenzaak en -binderij en bewoonde de bovenwoning. Het pand werd in 2011 te koop gezet voor € 495.000 en uiteindelijk in november 2020 verkocht voor slechts € 235.000, waarvan € 75.000 werd toegerekend aan het winkelgedeelte en € 160.000 aan de woning. Voor de waardedaling van de bovenwoning was eerder al een onherroepelijke vergoeding toegekend van € 10.970,29. De procedure bij de Raad van State richt zich uitsluitend op de vergoeding voor het winkelgedeelte. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen heeft voor dit winkelgedeelte een schadevergoeding vastgesteld van € 10.666,67, gebaseerd op de waardedalingsregeling voor niet-woningen die tot stand is gekomen via de Adviescommissie Waardedaling niet-woningen. De behandeling van de aanvraag was aangehouden in afwachting van de totstandkoming van deze specifieke regeling voor niet-woningen in het aardbevingsgebied. De centrale rechtsvraag in hoger beroep is drieledig: of de waardedalingsregeling voor niet-woningen als zodanig aanvaardbaar en redelijk is, of het Instituut de regeling juist heeft toegepast, en of de uitkomst in dit specifieke geval evenredig is. De grondslag voor de schadeafhandeling is de Tijdelijke wet Groningen, die de publiekrechtelijke afwikkeling regelt van schade veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld. Omdat de beschikbare uitspraaktekst onvolledig is, kan de definitieve beslissing van de Raad van State niet met zekerheid worden weergegeven. De zaak is van belang voor eigenaren van commercieel vastgoed in het aardbevingsgebied die vergoeding zoeken voor waardedaling.