Aanvraag immateriële schade gaswinning Groningen afgewezen
ECLI:NL:RVS:2026:4264, Raad van State, 22-07-2026, 202506029/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 26 juli 2023 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen een aanvraag van [appellante] om vergoeding van immateriële schade afgewezen. [appellante] woont aan de [locatie 1] in de stad Groningen. Van 25 november 2013 tot 1 november 2025 woonde zij aan de [locatie 2] in Groningen. Daaraan voorafgaand woonde zij - in ieder geval vanaf 16 augustus 2012 - aan de [locatie] te Eenrum. Deze adressen liggen in het aardbevingsgebied. Het Instituut heeft op 12 juli 2023 de aanvraag van [appellante] om vergoeding van immateriële schade als gevolg van de gaswinning in Groningen ontvangen. Immateriële schade is ander nadeel dan vermogensschade en betreft schade die iemand lijdt in de vorm van pijn, psychisch leed, verdriet of gederfde levensvreugde. Het Instituut heeft de aanvraag afgewezen.
Kern van de zaak
Een inwoonster van het Groningse aardbevingsgebied vroeg het Instituut Mijnbouwschade Groningen om vergoeding van immateriële schade als gevolg van de gaswinning. Het Instituut wees de aanvraag af omdat er onvoldoende concrete aanwijzingen waren voor een persoonsaantasting 'op andere wijze' in de zin van artikel 6:106, onder b, BW. De zaak belandde in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De uitspraak bevat slechts de inleiding en een deel van de overwegingen; de definitieve beslissing van de Afdeling op het hoger beroep is op basis van de beschikbare tekst niet vast te stellen. Wel is duidelijk dat het Instituut de aanvraag heeft afgewezen en deze afwijzing heeft gehandhaafd, en dat de Afdeling toetst of de immateriëleschadevergoedingsregeling aanvaardbaar en redelijk is, goed is toegepast en niet tot een onevenredige uitkomst leidt.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een individuele aanvraag maar is relevant voor de grotere groep Groningse gedupeerden die immateriële schadevergoeding claimen; de toetsingsmaatstaf van de Raad van State heeft potentieel richtinggevende werking voor vergelijkbare zaken, al is de tekst te onvolledig om de definitieve impact te beoordelen.
Belangrijkste punten
- 1Appellante woonde jarenlang in het aardbevingsgebied in Groningen en diende een aanvraag in voor immateriële schadevergoeding op grond van de Tijdelijke wet Groningen (TwG).
- 2Het Instituut Mijnbouwschade Groningen wees de aanvraag af wegens onvoldoende concrete aanwijzingen voor persoonsaantasting 'op andere wijze' ex artikel 6:106, onder b, BW.
- 3De toetsingsmaatstaf van de Afdeling omvat: aanvaardbaarheid en redelijkheid van de regeling, correcte toepassing en evenredigheid van de uitkomst.
- 4De TwG verplicht tot rechtvaardig, voortvarend en ruimhartig schadeafhandeling, waarbij ook civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrechtelijke regels gelden.
- 5De tekst is onvolledig; de uiteindelijke uitkomst van het hoger beroep kan niet worden vastgesteld.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt de toetsingsmaatstaf die de Raad van State hanteert bij hoger beroep over besluiten van het Instituut Mijnbouwschade Groningen inzake immateriële schadevergoeding, waarbij zowel de inhoud van de regeling als de evenredigheid van de concrete toepassing worden getoetst. De eisen van artikel 6:106, onder b, BW blijven het centrale beoordelingskader voor persoonsaantasting.
Praktische impact
Voor bewoners van het Groningse aardbevingsgebied die immateriële schadevergoeding aanvragen, bevestigt deze zaak dat louter wonen in het getroffen gebied onvoldoende is; er moeten concrete aanwijzingen van persoonlijk leed worden aangetoond. De uitkomst is op basis van de beschikbare tekst nog onbekend.
Onderwerp-impact
De zaak raakt direct aan de afhandeling van mijnbouwschade in Groningen en de effectiviteit van de TwG als publiekrechtelijk schadevergoedingsinstrument voor gedupeerden van de gaswinning.
Samenvatting
Deze zaak betreft een inwoonster van het Groningse aardbevingsgebied die bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) een aanvraag indiende voor vergoeding van immateriële schade als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Appellante woonde achtereenvolgens in Eenrum en meerdere adressen in de stad Groningen, allemaal gelegen in het aardbevingsgebied. Op 12 juli 2023 ontving het IMG haar aanvraag, maar wees deze af bij besluit van 26 juli 2023. Het IMG oordeelde dat er onvoldoende concrete aanwijzingen waren voor een persoonsaantasting 'op andere wijze' als bedoeld in artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek — de civielrechtelijke grondslag voor immateriële schadevergoeding wegens psychisch leed, verdriet of gederfde levensvreugde. Dit besluit werd bij heroverweging op 30 april 2024 gehandhaafd. In hoger beroep toetst de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State of de immateriëleschadevergoedingsregeling aanvaardbaar en redelijk is, of zij correct is toegepast, en of de toepassing in dit specifieke geval niet tot een onevenredige uitkomst leidt. De juridische vraag spitst zich toe op de invulling van het begrip 'persoonsaantasting op andere wijze' en de bewijslast die daarvoor geldt binnen de publiekrechtelijke afhandelingssystematiek van de Tijdelijke wet Groningen (TwG). Die wet vereist een rechtvaardig, voortvarend en ruimhartig schadeherstel, met inachtneming van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. De beschikbare tekst van de uitspraak is echter onvolledig en bevat slechts de inleiding en het begin van de overwegingen. De definitieve beslissing van de Afdeling — en daarmee de vraag of het hoger beroep gegrond of ongegrond is verklaard — kan op basis van de voorliggende tekst niet worden vastgesteld. De zaak is desalniettemin relevant voor de vele Groningse gedupeerden die immateriële schadevergoeding nastreven.