Raad van State verplicht minister tot verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen
ECLI:NL:RVS:2026:3813, Raad van State, 01-07-2026, 202400459/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Betrokkenen zijn een moeder en haar twee minderjarige zoons met de Nigeriaanse nationaliteit. De moeder is in 2012 met haar toenmalige partner naar Nederland gekomen. De hoofdpersoon en zijn broertje (samen: de kinderen) zijn achtereenvolgens op 6 juni 2012 en 5 augustus 2015 in Nederland geboren. Betrokkenen hebben op 31 januari 2019 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen (de Afsluitingsregeling). De minister heeft de aanvraag afgewezen en die afwijzing in zijn daarna volgende besluitvorming gehandhaafd.
Kern van de zaak
Een Nigeriaanse moeder en haar twee in Nederland geboren minderjarige zoons vroegen een verblijfsvergunning aan op grond van de Afsluitingsregeling voor langdurig verblijvende kinderen. De minister wees de aanvraag af omdat betrokkenen niet aan de beleidsvoorwaarden voldeden. De zaak draait om de vraag of artikel 8 EVRM (recht op privéleven) desondanks verplicht tot verlening.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept de oorspronkelijke afwijzing; de minister wordt verplicht een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. De doorslaggevende reden is dat de evenredigheidsbeoordeling in het kader van artikel 8 EVRM, mede gelet op de belangen van de langdurig in Nederland verblijvende kinderen, niet kon leiden tot afwijzing.
Impactscore
HoogDe uitspraak komt van de hoogste bestuursrechter en geeft concrete invulling aan de verhouding tussen nationaal vreemdelingenbeleid en artikel 8 EVRM bij langdurig verblijvende kinderen; dit raakt een structureel beleidsvraagstuk met potentieel brede werking voor vergelijkbare zaken.
Belangrijkste punten
- 1Niet-naleving van de beleidsvoorwaarden van de Afsluitingsregeling sluit een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM niet automatisch uit.
- 2De minister moet bij in Nederland geboren en langdurig verblijvende kinderen een volwaardige evenredigheidsbeoordeling maken conform vaste EHRM-rechtspraak.
- 3De Afdeling past artikel 8:41a Awb toe en neemt zelf een eindbeslissing door de minister te verplichten de vergunning te verlenen.
- 4Het oorspronkelijke besluit van 30 juli 2019 wordt herroepen, waarmee de volledige besluitvormingsketen ongedaan wordt gemaakt.
- 5De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 3.736,00.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak verduidelijkt dat beleidsgrenzen van de Afsluitingsregeling geen absolute barrière vormen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM, en bevestigt dat de rechter bij een gebrekkige evenredigheidsbeoordeling zelf in de zaak kan voorzien. De uitspraak versterkt de positie van langdurig in Nederland verblijvende kinderen bij beroepen op privélevenbescherming.
Praktische impact
Voor de betrokken moeder en haar zoons betekent dit direct recht op een verblijfsvergunning na een procedure van meer dan vijf jaar. Voor vergelijkbare gevallen buiten de Afsluitingsregeling biedt de uitspraak een stevige grondslag voor beroepen op artikel 8 EVRM.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht en migratiebeleid bevestigt deze uitspraak dat het belang van het kind en de mate van worteling in Nederland zwaar wegen bij de evenredigheidstoets, ook wanneer niet aan formele beleidscriteria is voldaan.
Samenvatting
In deze zaak stonden een Nigeriaanse moeder en haar twee in Nederland geboren minderjarige zoons centraal. De moeder verbleef sinds 2012 in Nederland; de kinderen zijn hier geboren en hebben hun gehele leven in Nederland doorgebracht. Op 31 januari 2019 dienden zij een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitingsregeling voor langdurig verblijvende kinderen. De minister wees de aanvraag af en handhaafde die afwijzing in bezwaar en beroep, omdat betrokkenen niet voldeden aan de formele beleidsvoorwaarden van de Afsluitingsregeling. De centrale rechtsvraag was of de minister desondanks op grond van artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van het privéleven) gehouden was een verblijfsvergunning te verlenen, en of de gemaakte evenredigheidsbeoordeling juridisch stand kon houden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het enkele feit dat niet aan de beleidsvoorwaarden is voldaan, niet vrijwaart van een volledige toetsing aan artikel 8 EVRM. Daarbij dient de minister de belangen van langdurig in Nederland verblijvende en hier gewortelde kinderen uitdrukkelijk en evenredig mee te wegen, conform vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Afdeling oordeelde dat de door de minister uitgevoerde evenredigheidsbeoordeling tekortschoot en dat ook geen deugdelijke beoordeling had plaatsgevonden van een mogelijke schrijnende situatie die aanleiding had moeten geven tot ambtshalve verlening. Het beroep tegen het besluit van 4 maart 2024 werd gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het oorspronkelijke besluit van 30 juli 2019 herroepen. Met toepassing van artikel 8:41a Awb voorzag de Afdeling zelf in de zaak door de minister te verplichten een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. De minister werd tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ter hoogte van € 3.736,00.