Slachthuis deels in gelijk gesteld bij boeteopleggging NVWA
ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Hoger beroep. De minister heeft aan het slachthuis een boete opgelegd van € 2.500,- omdat het slachthuis er niet voor heeft gezorgd dat ˗ zolang de postmortemkeuring niet is voltooid ˗ de delen van een geslacht dier dat aan die keuring wordt onderworpen, niet in aanraking komen met een ander karkas. De gestelde omstandigheid dat KDS-medewerkers niet op de juiste plek zouden hebben gestaan, doet niet af aan de verantwoordelijkheid van het slachthuis om in te grijpen wanneer karkassen elkaar voor de keurplek (dreigden) te raken. Geen sprake van verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken van verwijtbaarheid. Matiging vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Hoger beroep met betrekking tot een andere boete op de zitting ingetrokken, nadat de minister met een nieuwe beslissing op bezwaar dat boetebesluit had herroepen. Ook schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot het herroepen boetebesluit.
Kern van de zaak
Een slachthuis ontving twee boetes van elk € 2.500,- van de minister na een NVWA-inspectie op 21 juli 2021. Het slachthuis maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde beide beroepen ongegrond. Het slachthuis ging vervolgens in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Beslissing van de rechter
Het College beslist op het hoger beroep ten aanzien van boetebesluit 202102318 en op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bij boetebesluit 202102413. Voor boetebesluit 202102413 heeft de minister middels een vervangingsbesluit alsnog aan de bezwaren tegemoetgekomen en proceskosten (€ 3.736,-) en griffierecht vergoed; de uitkomst ten aanzien van boetebesluit 202102318 is op basis van de beschikbare tekst onvolledig.
Impactscore
LaagDe zaak betreft relatief lage boetes in een sectorspecifieke NVWA-handhavingszaak zonder aanwijsbare nieuwe rechtsvragen; de beschikbare uitspraaktekst is bovendien onvolledig, wat de beoordeling van de volledige juridische impact beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Twee boetes van elk € 2.500,- opgelegd aan een slachthuis na reguliere NVWA-inspectie op 21 juli 2021
- 2Beide bezwaren door de minister ongegrond verklaard; beide beroepen bij de rechtbank eveneens ongegrond verklaard
- 3Voor boetebesluit 202102413 heeft de minister via een vervangingsbesluit alsnog aan de bezwaren tegemoetgekomen
- 4Minister heeft proceskosten (€ 3.736,-) en griffierecht (€ 365,- en € 548,-) voor boetebesluit 202102413 toegezegd te vergoeden
- 5Het College behandelt tevens een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak illustreert dat een bestuursorgaan ook in hoger beroep nog een vervangingsbesluit kan nemen waarmee alsnog aan bezwaren wordt tegemoetgekomen, met als gevolg een verplichting tot vergoeding van proceskosten in alle instanties. De beoordeling van de redelijke termijn bij bestuursrechtelijke boeteprocedures wordt door het CBb afzonderlijk getoetst.
Praktische impact
Het slachthuis ontvangt proceskosten en griffierecht terug voor de procedure rondom boetebesluit 202102413; de uitkomst voor boetebesluit 202102318 en de schadevergoeding wegens termijnoverschrijding zijn op basis van de beschikbare tekst onzeker.
Onderwerp-impact
Voor slachthuizen en andere levensmiddelenbedrijven die onder NVWA-toezicht vallen, bevestigt deze zaak dat het loont om bezwaar en beroep in te stellen, nu de minister bereid was alsnog een vervangingsbesluit te nemen en kosten te vergoeden.
Samenvatting
In deze zaak bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven stond een slachthuis tegenover de minister naar aanleiding van twee boetes van elk € 2.500,- die werden opgelegd na een reguliere NVWA-inspectie op 21 juli 2021. De minister had de bezwaren van het slachthuis ongegrond verklaard, en de rechtbank had beide beroepen eveneens ongegrond verklaard. Het slachthuis ging daarop in hoger beroep bij het College. Ten aanzien van boetebesluit 202102413 heeft de minister tijdens de zitting bij het College een vervangingsbesluit genomen, waarmee hij alsnog aan de bezwaren van het slachthuis tegemoet is gekomen. Als gevolg hiervan heeft de minister toegezegd de proceskosten in beroep en hoger beroep te vergoeden (€ 3.736,-) alsook het betaalde griffierecht in beroep (€ 365,-) en hoger beroep (€ 548,-). Dit toont dat een bestuursorgaan ook in een laat stadium van de procedure tot herziening kan overgaan, met de bijbehorende kostenverplichtingen. Het College doet in deze uitspraak voorts uitspraak op het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op boetebesluit 202102318, en beoordeelt tevens het verzoek van het slachthuis om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure rondom boetebesluit 202102413. De Staat is daarvoor als partij aangemerkt. De volledige motivering en beslissing ten aanzien van boetebesluit 202102318 en de termijnoverschrijding zijn op basis van de beschikbare uitspraaktekst niet volledig te reconstrueren, hetgeen enige onzekerheid laat over de definitieve uitkomst op die onderdelen. De zaak is praktisch relevant voor ondernemingen in de vleesverwerkende sector die geconfronteerd worden met NVWA-handhaving.