Handhaving permanente bewoning recreatiewoning onvoldoende onderbouwd
ECLI:NL:RBGEL:2026:5525, Rechtbank Gelderland, 13-07-2026, AWB-25_4431 e.a.
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Lasten onder dwangsom tegen bewoning recreatiewoning. Het onderzoek is zorgvuldig verricht en niet in strijd met het EVRM. Het college heeft met de overgelegde bewijsmiddelen onvoldoende aangetoond dat eisers de recreatiewoning in strijd met het omgevingsplan gebruiken.
Kern van de zaak
Eisers ontvingen een handhavingsbesluit van het college wegens vermeende permanente bewoning van een recreatiewoning. Zij stelden beroep in omdat het college onvoldoende bewijs had voor de overtreding. De rechtbank gaf het college na een tussenuitspraak de gelegenheid de motivering te herstellen.
Beslissing van de rechter
De rechtbank bouwt voort op haar tussenuitspraak en beoordeelt of het college de geconstateerde gebreken in de beslissing op bezwaar voldoende heeft hersteld. Het college had eerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eisers de enige gebruikers waren en dat sprake was van permanente bewoning; het mandaatbesluit en nadere onderbouwing zijn alsnog in de procedure ingebracht.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk geschil op het niveau van de rechtbank zonder principiële rechtsvraag; de uitkomst is casuïstisch en heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare handhavingszaken rond recreatiewoningen.
Belangrijkste punten
- 1Permanente bewoning van een recreatiewoning is een overtreding van het bestemmingsplan, maar moet voldoende bewezen worden.
- 2Sporadische aantrefvermeldingen en aanwezigheid van voertuigen zijn op zichzelf onvoldoende bewijs voor permanente bewoning.
- 3Het college heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eisers de enige gebruikers van de recreatiewoning zijn (watergebruiksargument faalt).
- 4Na de tussenuitspraak heeft het college alsnog het mandaatbesluit Omgevingsdienst De Vallei (19 december 2023) overgelegd ter onderbouwing van de bevoegdheidsgrondslag.
- 5De rechtbank komt niet terug van oordelen uit de tussenuitspraak, tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat handhavingsbesluiten bij permanente bewoning van recreatiewoningen een deugdelijke feitelijke onderbouwing vereisen en dat het enkele aantreffen van bewoners onvoldoende is. Voorts wordt de verplichting benadrukt om de bevoegdheidsgrondslag (mandaatbesluit) tijdig in de procedure in te brengen.
Praktische impact
Voor gemeenten en omgevingsdiensten betekent dit dat zij bij handhaving op permanente bewoning steviger bewijsmateriaal moeten verzamelen, zoals verhuuradministratie of verklaringen van eigenaren. Voor recreatiewoningbewoners biedt dit bescherming tegen handhaving op basis van louter aanwezigheidsregistraties.
Onderwerp-impact
In het kader van ruimtelijke ordening en handhaving op recreatiewoningen verduidelijkt deze uitspraak de bewijslast die rust op het bestuursorgaan bij het opleggen van handhavingsmaatregelen wegens strijdig gebruik.
Samenvatting
In deze zaak hadden eisers beroep ingesteld tegen een handhavingsbesluit van het college, waarbij hen permanente bewoning van een recreatiewoning werd verweten. In de tussenuitspraak van 27 maart 2026 had de rechtbank al geoordeeld dat het college op basis van de tot dan toe overgelegde bewijsmiddelen niet had kunnen vaststellen dat daadwerkelijk sprake was van permanente bewoning. Hoewel eisers meerdere keren in en om de recreatiewoning waren aangetroffen en hun voertuigen er regelmatig stonden, achtte de rechtbank dit onvoldoende. Ook het argument over waterverbruik werd verworpen, omdat het college niet aannemelijk had gemaakt dat eisers de enige gebruikers van de woning waren. Het college kreeg na de tussenuitspraak de gelegenheid om de gebreken in de motivering te herstellen. In reactie hierop bracht het college het mandaatbesluit van 19 december 2023 in, dat de juridische bevoegdheidsgrondslag van de Omgevingsdienst De Vallei onderbouwt. In de einduitspraak bouwt de rechtbank volledig voort op haar tussenuitspraak en herhaalt zij dat het niet vrijstaat terug te komen van eerder zonder voorbehoud gegeven oordelen, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank beoordeelt vervolgens of de door het college aangedragen herstelmaatregelen afdoende zijn. De zaak illustreert de strikte bewijseisen die gelden bij handhaving wegens permanente bewoning van recreatiewoningen: louter aanwezigheidscontroles en voertuigwaarnemingen volstaan niet. Bestuursorganen dienen concrete en directe bewijsmiddelen te overleggen, zoals verklaringen van verhuurders of ononderbroken huurcontracten, om een overtreding voldoende aannemelijk te maken. De uitspraak heeft praktische betekenis voor handhavingspraktijk bij recreatieparken maar heeft door haar feitelijke karakter beperkte bredere precedentwerking.