Mijnbouwschade Winschoten: bewijsvermoeden weerlegd door Instituut
ECLI:NL:RVS:2026:3684, Raad van State, 24-06-2026, 202504432/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 3 december 2021 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant] voor mijnbouwschade aan zijn woning een vergoeding van € 2.821,53, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend. [appellant] is sinds 2009 eigenaar van de vrijstaande woning aan de [locatie] in Winschoten. Op 14 mei 2020 heeft [appellant] een vergoeding voor fysieke mijnbouwschade aan zijn woning aangevraagd. Na het in opdracht van het Instituut uitgebrachte (herziene) advies van 3 november 2021, opgesteld door deskundige K. Borger van NIVRE Calamiteiten & Projecten (NIVRE), heeft het Instituut bij besluit van 3 december 2021 een schadevergoeding van € 2.821,53, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend. Het Instituut heeft op 4 januari 2023 het bezwaar onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 28 september 2022 ongegrond verklaard. [appellant] betoogt onder verwijzing naar het tegenadvies van Vergnes Expertise BV van 11 februari 2025 dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Instituut het bewijsvermoeden voor de schades 18 tot en met 30 en 32 tot en met 36 heeft weerlegd.
Kern van de zaak
Een eigenaar van een vrijstaande woning in Winschoten (eigenaar sinds 2009) heeft in 2020 een vergoeding aangevraagd voor fysieke mijnbouwschade. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kende slechts €2.821,53 toe. De eigenaar ging in bezwaar en beroep omdat hij een hogere vergoeding wenste voor diverse scheuren in zijn woning.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het Instituut het wettelijke bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW heeft weerlegd voor de schades 18 tot en met 30 en 32 tot en met 36 (scheuren in binnen- en buitengevels). De doorslaggevende reden is dat het deskundigenadvies van NIVRE voldoende onderbouwing biedt voor de conclusie dat deze schades niet door mijnbouwactiviteiten zijn veroorzaakt.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak over artikel 6:177a BW en het wettelijk bewijsvermoeden zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de maatschappelijke relevantie voor de Groningse aardbevingsproblematiek geeft enige extra gewicht.
Belangrijkste punten
- 1Het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW (aardbevingsschade Groningen) kan door het Instituut worden weerlegd met een deugdelijk deskundigenadvies.
- 2Een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet louter omdat andere gevallen procedureel anders zijn beoordeeld; het verschil moet evident onredelijk zijn.
- 3De hoorplicht is niet geschonden: appellant heeft aan de hoorzitting deelgenomen en kon zijn deskundige in beroep alsnog laten reageren.
- 4Slechte fotokwaliteit in een deskundigenadvies leidt niet automatisch tot strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
- 5Het advies mag geen cirkelredenering bevatten (oorzaak afleiden uit schadebeeld en schadebeeld vervolgens verklaren via die oorzaak); de Afdeling toetst dit inhoudelijk.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW voor mijnbouwschade effectief kan worden weerlegd door een gemotiveerd deskundigenadvies, en dat het gelijkheidsbeginsel geen automatisch recht op gelijkstelling met procedureel anders verlopende zaken geeft.
Praktische impact
Bewoners die mijnbouwschade claimen bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen, worden geconfronteerd met een hoge lat voor het succesvol betwisten van een deskundigenadvies; louter procedurele of vergelijkende argumenten zijn onvoldoende.
Onderwerp-impact
Voor de afhandeling van aardbevingsschade in Groningen bevestigt deze uitspraak de centrale rol van onafhankelijke deskundigenadviezen en de beperkte reikwijdte van het gelijkheidsbeginsel in individuele schadeprocedures.
Samenvatting
Deze zaak betreft een bewoner van een vrijstaande woning in Winschoten die in 2020 een vergoeding aanvroeg voor fysieke mijnbouwschade bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen. Het Instituut kende op basis van een deskundigenadvies van NIVRE een vergoeding van €2.821,53 toe. De eigenaar maakte bezwaar en stelde beroep in, omdat hij van mening was dat het Instituut het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW niet rechtsgeldig had weerlegd voor een groot aantal scheuren in zijn woning, dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden ten opzichte van bewoners van naburige panden, en dat de hoorplicht was overtreden. De rechtbank verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond en oordeelde dat het bewijsvermoeden voor de schades 18 tot en met 30 en 32 tot en met 36 (scheuren in kalkzandstenen en cellenbetonnen binnenwanden) wél was weerlegd door het deskundigenadvies. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen omdat procedureel verschillende uitkomsten in andere gevallen niet automatisch leiden tot een hogere vergoeding, zeker niet nu appellant zelf al een aanvullende vergoeding had ontvangen. Ook de hoorplicht was niet geschonden: appellant had deelgenomen aan de hoorzitting en zijn deskundige had in de beroepsfase alsnog kunnen reageren. De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Afdeling onderschrijft dat het deskundigenadvies van NIVRE het bewijsvermoeden voldoende weerlegt, mits het advies geen cirkelredenering bevat. Ten aanzien van schades 20 en 23 merkt de Afdeling op dat de stelling dat optrekbeugels leiden tot extra spanningen onwaarschijnlijk is. De uitspraak onderstreept dat het wettelijk bewijsvermoeden bij mijnbouwschade een reële maar weerlegbare bescherming biedt, en dat procedurele en vergelijkende argumenten zonder inhoudelijke onderbouwing onvoldoende zijn om een hogere vergoeding af te dwingen.