Eigenaar krijgt geen schadevergoeding na onrechtmatige pandsluiting
ECLI:NL:RVS:2026:3336, Raad van State, 10-06-2026, 202504014/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 29 april 2024 heeft de burgemeester van Velsen kenbaar gemaakt dat het bedrijfspand aan de [locatie] in Velserbroek met ingang van 15 april 2024 voor de duur van zes maanden is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. [appellant] was eigenaar van het pand ten tijde van de sluiting. Hij verhuurde het pand aan de exploitant van een kringloopwinkel. De burgemeester heeft de sluiting gelast van het pand voor een periode van zes maanden, nadat gemeentelijke toezichthouders bij een controle op 15 april 2024 een in werking zijnde hennepplantage hadden aangetroffen met meer dan 1.300 hennepplanten.
Kern van de zaak
De burgemeester sloot een bedrijfspand voor zes maanden nadat daarin een hennepplantage van meer dan 1.300 planten werd aangetroffen. De eigenaar (verhuurder aan een kringloopwinkel) bestreed de hervatting van de sluiting en vroeg schadevergoeding. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond maar wees de schadevergoeding af.
Beslissing van de rechter
De Raad van State doet uitspraak naar aanleiding van het hoger beroep over de afwijzing van het schadeverzoek door de rechtbank. Op basis van de beschikbare tekst lijkt de afwijzing van schadevergoeding in stand te blijven, omdat de gestelde schade niet voldoende in causaal verband staat met het onrechtmatig bevonden besluit van 22 juli 2024. De doorslaggevende reden is dat de sluiting deels rechtmatig was en de schadecomponenten niet eenduidig aan het onrechtmatige deel zijn toe te rekenen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past binnen gevestigde bestuursrechtelijke kaders over schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en heeft geen precedentwerking buiten vergelijkbare handhavingszaken; de feitengebondenheid en de onvolledige uitspraaktekst beperken de bredere juridische betekenis.
Belangrijkste punten
- 1Burgemeester gelastte pandsluiting voor zes maanden na aantreffen hennepplantage met 1.300+ planten op 15 april 2024.
- 2Voorzieningenrechter schorste het sluitingsbesluit; pand was feitelijk zeven weken gesloten.
- 3Besluit van 22 juli 2024 tot hervatting sluiting werd door de rechtbank onrechtmatig verklaard wegens onvoldoende onderbouwing openbare-ordegevaar.
- 4Appellant verkocht het pand op 7 juli 2024 (koopakte 22 juli 2024, levering 17 oktober 2024); sluiting werd per overdracht opgeheven.
- 5Verzoek om schadevergoeding afgewezen door de rechtbank wegens ontbreken voldoende causaal verband met het onrechtmatige besluit.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat ook bij een gegrond beroep tegen een bestuursdwangbesluit de schadevergoeding slechts toewijsbaar is voor zover de schade direct causaal samenhangt met het specifiek onrechtmatig bevonden gedeelte van de maatregel. Dit bevestigt bestaande rechtspraak over het causaal verband als zelfstandige drempel bij artikel 8:88 Awb-verzoeken.
Praktische impact
Eigenaren van panden waar drugs worden aangetroffen kunnen – ook als de hervatting van een sluiting onrechtmatig blijkt – niet zonder meer rekenen op vergoeding van huurderving of waardedaling; zij moeten de schade nauwkeurig toeschrijven aan het onrechtmatige deel van de bestuurlijke maatregel.
Onderwerp-impact
Voor de praktijk van handhaving bij hennepteelt in bedrijfspanden benadrukt de uitspraak dat burgemeesters bij heropening van een sluitingsperiode opnieuw moeten onderbouwen dat de openbare orde nog in het geding is, op straffe van vernietiging maar zonder automatische schadevergoedingsplicht.
Samenvatting
Deze zaak betreft een eigenaar van een bedrijfspand dat werd verhuurd aan een kringloopwinkel. Op 15 april 2024 troffen gemeentelijke toezichthouders in het pand een hennepplantage aan met meer dan 1.300 planten. De burgemeester gelastte daarop een sluiting voor zes maanden. De voorzieningenrechter schorste dit besluit, waarna het pand feitelijk zeven weken gesloten was geweest. Bij besluit van 22 juli 2024 hervatten de burgemeester de sluiting voor de resterende 133 dagen. De eigenaar had het pand inmiddels verkocht; de levering vond plaats op 17 oktober 2024, op welke datum de sluiting werd opgeheven. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 22 juli 2024 gegrond, omdat de burgemeester onvoldoende had onderbouwd dat de openbare orde ten tijde van dat besluit nog in het geding was. Het verzoek om schadevergoeding wees de rechtbank echter af, omdat de gestelde schade niet in voldoende causaal verband stond met het onrechtmatig bevonden besluit. De centrale rechtsvraag in hoger beroep bij de Raad van State is of de rechtbank het schadeverzoek terecht heeft afgewezen. Op basis van de beschikbare uitspraaktekst lijkt de Afdeling de redenering van de rechtbank te volgen: hoewel de hervatting van de sluiting onrechtmatig was, moet de schade specifiek en aantoonbaar voortvloeien uit dat onrechtmatige onderdeel. Nu de eerste sluitingsperiode (zeven weken) wel rechtmatig was en de eigenaar het pand bovendien vóór de hervatting had verkocht, is de toerekening van de gestelde schade aan het onrechtmatige besluit problematisch. De uitspraak onderstreept dat een gegrond beroep niet automatisch recht geeft op schadevergoeding en dat het causaal verband een zelfstandige, strenge toets vereist onder artikel 8:88 Awb.