Omgevingsvergunning woninguitbreiding verleend ondanks bestemmingsplanstrijdigheid
ECLI:NL:RVS:2026:3163, Raad van State, 03-06-2026, 202307109/1/R1 en 202503531/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Deze uitspraak gaat over de hoger beroepen in zaken nr. 202307109/1 en nr. 202503531/1. Zaak nr. 202307109/1/R1 gaat over de uitspraak van de rechtbank over een bij het besluit van 7 juni 2022 aan [partij] verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van zijn woning op het perceel [locatie 1] in Middelburg. Zaak nr. 202503531/1/R1 gaat over de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Middelburg om handhavend op te treden tegen een gerealiseerde afwijking van het vergunde bouwplan en over een door [partij] aangevraagde wijziging van dat bouwplan. Hangende het hoger beroep in zaak nr. 202307109/1/R1 heeft het college bij besluit van 11 april 2024 ingestemd met die wijziging van het bouwplan. [partij] woont op het perceel en heeft de omgevingsvergunning aangevraagd om zijn woning uit te breiden en te veranderen. De bestaande woning wordt aanzienlijk vergroot. De kapverdieping van de woning wordt gesloopt. Het bouwplan voorziet in een nieuwe verdieping met een plat dak. Daarin komen vier slaapkamers, een badkamer en een berging. Op de begane grond komt een slaapkamer. Aan de voorzijde en zijkant van de bestaande woning komt een aanbouw met daarin onder meer een hal, badkamer, deel van die slaapkamer, garage en berging. Aan de achterzijde en zijkant van de bestaande woning komt ook een aanbouw met daarin een woonkamer.
Kern van de zaak
Een bewoner vroeg een omgevingsvergunning aan voor een aanzienlijke uitbreiding van zijn woning, waaronder een nieuwe verdieping en meerdere aanbouwen. Het bouwplan was op twee punten in strijd met het bestemmingsplan 'Mortiere': de aanbouw aan de voorzijde lag in de tuinbestemming en de goothoogte van circa 6,1 meter overschreed de maximaal toegestane 4 meter. Het college verleende de vergunning via een binnenplanse afwijkingsprocedure.
Beslissing van de rechter
De Raad van State beoordeelt het beroep tegen de verleende omgevingsvergunning; de exacte einduitspraak is op basis van de beschikbare tekst niet volledig weergegeven. De bestuursrechter toetst of het college bij de belangenafweging in redelijkheid tot verlening van de vergunning heeft kunnen komen, waarbij de beleidsruimte van het college centraal staat.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande, gevestigde rechtspraak over overgangsrecht Omgevingswet en beleidsruimte bij afwijkingsbesluiten; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de zaak heeft een casuïstisch karakter.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht: omdat de aanvraag dateert van 13 april 2022, blijft de Wabo (oud recht) van toepassing ondanks inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024.
- 2Twee bestemmingsplanstrijdigheden: aanbouw voorzijde in strijd met bestemming 'Tuin' en goothoogte van ~6,1 m overschrijdt het maximum van 4 m.
- 3Vergunning verleend via artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2° Wabo j° artikel 4 leden 1 en 9 Bijlage II Bor (binnenplanse afwijking).
- 4Bestuursrechter heeft beperkte toetsingsruimte: het college beschikt over beleidsruimte bij de afwijkingsbevoegdheid; rechter toetst slechts op rechtmatigheid en evenredigheid.
- 5Toets op onevenredigheid van nadelige gevolgen van de vergunningverlening speelt een rol in de beoordeling van het beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het geldende overgangsrechtelijke kader van de Invoeringswet Omgevingswet en de terughoudende rechterlijke toetsing bij afwijkingsbesluiten onder de Wabo. De beleidsruimte van het college bij artikel 2.12 Wabo-besluiten blijft intact.
Praktische impact
Voor omwonenden die bezwaar maken tegen een vergunde woninguitbreiding geldt dat de rechter de ruimtelijke afweging van het college niet overneemt, maar slechts toetst of de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn.
Onderwerp-impact
In het omgevingsrecht benadrukt deze zaak het belang van tijdig ingediende aanvragen vóór 1 januari 2024 voor de toepasselijkheid van de Wabo, en illustreert zij hoe gemeenten via de Bor-bijlage II afwijkingen van bestemmingsplannen kunnen legitimeren.
Samenvatting
In deze zaak bij de Raad van State staat een omgevingsvergunning centraal die het college van burgemeester en wethouders heeft verleend voor de ingrijpende uitbreiding van een woning. De bewoner diende zijn aanvraag in op 13 april 2022 — vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet blijft daarom de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, oud recht) van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is geworden. Het bouwplan behelst een nieuwe verdieping met plat dak (met vier slaapkamers, badkamer en berging), een aanbouw aan de voor- en zijkant (hal, badkamer, garage en berging) en een aanbouw aan de achter- en zijkant (woonkamer). Dit plan botst op twee punten met het bestemmingsplan 'Mortiere': de voorzijde-aanbouw ligt in het gebied met bestemming 'Tuin', en de nieuwe goothoogte van circa 6,1 meter overschrijdt het bestemmingsplanmaximum van 4 meter. Het college heeft desondanks vergunning verleend met gebruikmaking van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2° Wabo, in samenhang met artikel 4 leden 1 en 9 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De Raad van State stelt voorop dat het college bij de uitoefening van deze afwijkingsbevoegdheid beleidsruimte heeft en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter neemt die ruimtelijke afweging niet over, maar beoordeelt of het besluit in overeenstemming is met het recht — waaronder of de nadelige gevolgen voor derden niet onevenredig zijn. De tekst van de uitspraak is niet volledig beschikbaar, waardoor de definitieve beslissing op het beroep niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare overwegingen lijkt de toetsing gericht op de vraag of het college in redelijkheid tot verlening heeft kunnen besluiten.