JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:1844Middel38/100

Nadeelcompensatie HEMA Valkenburg: risicoaanvaarding centraal

ECLI:NL:RVS:2026:1844, Raad van State, 01-04-2026, 202501934/1/A2

Raad van StateUitspraak: 1 april 2026Publicatie: 1 april 2026
Procedure:Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Zaaknummer:202501934/1/A2
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Vastgoed
Vergunningen
Ruimtelijke Ordening
Retail
Risicoaanvaarding
Planschade
Nadeelcompensatie
Centrumherinrichting
Vennootschapssplitsing

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 4 mei 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul de aanvraag van [appellante A] en [appellante B] om nadeelcompensatie en om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. In hoger beroep ligt ter beoordeling voor of het college mocht tegenwerpen dat [appellante B] en [appellante A] het risico op het ontstaan van schade en planologisch nadeel als gevolg van de herinrichting van het centrumgebied van Valkenburg actief hebben aanvaard. [persoon A] is de enige bestuurder en aandeelhouder van [appellante B]. [appellante B] exploiteert een HEMA-vestiging in Valkenburg. Verder is [persoon A] de enige bestuurder en aandeelhouder van [appellante A] die de bedrijfsruimte waarin deze HEMA gevestigd is, in eigendom heeft en aan [appellante B] verhuurt. [appellante B] heeft op 9 december 2014 een verzoek om nadeelcompensatie en om een tegemoetkoming in planschade ingediend, omdat zij omzet heeft gemist. Daarbij heeft zij gewezen op verschillende besluiten die zijn genomen in het kader van de grondige herinrichting van het centrumgebied van Valkenburg en de feitelijke uitvoering van die besluiten. Verder heeft [appellante A] op 26 maart 2015 een verzoek om nadeelcompensatie en om een tegemoetkoming in planschade ingediend, omdat zij vanwege dezelfde herinrichting van het centrumgebied van Valkenburg huurinkomsten heeft gederfd.

Kern van de zaak

HEMA-exploitant en vastgoedeigenaar in Valkenburg verzoeken nadeelcompensatie wegens omzetderving door herinrichting van het centrumgebied. Het college werpt actieve risicoaanvaarding tegen. De zaak betreft de vraag of appellanten het planologisch nadeel bewust hebben aanvaard.

Beslissing van de rechter

De uitspraak is onvolledig weergegeven, maar de Raad van State beoordeelt in hoger beroep of het college terecht actieve risicoaanvaarding heeft tegengeworpen aan de HEMA-exploitant en de vastgoedeigenaar. De doorslaggevende kwestie is of de rechtsvoorgangers en opvolgende rechtspersonen van [persoon A] het risico op planologisch nadeel als gevolg van de centrumherinrichting van Valkenburg bewust hebben aanvaard.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak is casuïstisch van aard en betreft toepassing van bestaand nadeelcompensatierecht, maar de toerekening van risicoaanvaarding via complexe vennootschapsstructuren heeft relevantie voor vergelijkbare gevallen in de retail- en vastgoedpraktijk.

Belangrijkste punten

  • 1De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het vóór 1 januari 2024 geldende nadeelcompensatierecht zijn van toepassing.
  • 2Het college werpt actieve risicoaanvaarding tegen aan zowel de exploitant ([appellante B]) als de vastgoedeigenaar ([appellante A]).
  • 3De bedrijfshistorie is complex: via aandeelhouderschap, bestuurderschap en vennootschapsrechtelijke splitsing zijn rechten en verplichtingen overgegaan op de appellanten.
  • 4Op 27 mei 2010 is [bedrijf A] door een zuivere splitsing (art. 2:334a lid 2 BW) opgeheven, waarbij [appellante A] de onroerende zaak verkreeg.
  • 5Het verzoek om nadeelcompensatie en planschade is ingediend op 9 december 2014 wegens omzetderving door besluiten rond de centrumherinrichting.

Impactanalyse

Juridische impact

De zaak betreft de toepassing van het leerstuk actieve risicoaanvaarding bij nadeelcompensatie/planschade in situaties waarbij rechten en bekendheid via vennootschapsrechtelijke structuren zijn overgedragen. De uitspraak verduidelijkt in hoeverre kennis en risicoaanvaarding van rechtsvoorgangers kunnen worden toegerekend aan opvolgende rechtspersonen.

Praktische impact

Voor ondernemers die via vennootschapsrechtelijke herstructureringen een bedrijf voortzetten, heeft deze zaak directe betekenis: eerder opgedane kennis van planologische risico's kan worden toegerekend, waardoor nadeelcompensatie (deels) kan worden afgewezen.

Onderwerp-impact

Voor de retailsector en vastgoedeigenaren in centrumgebieden die te maken krijgen met overheidsingrepen is dit relevant: de combinatie van exploitant en eigenaar als afzonderlijke rechtspersonen biedt geen automatische bescherming tegen het tegenwerpen van risicoaanvaarding.

Samenvatting

Deze zaak bij de Raad van State betreft een hoger beroep van de exploitant en eigenaar van een HEMA-vestiging in Valkenburg tegen een beslissing over nadeelcompensatie. De kern van het geschil is of het college van burgemeester en wethouders terecht heeft tegengeworpen dat appellanten het risico op planologisch nadeel — veroorzaakt door de herinrichting van het centrumgebied van Valkenburg — actief hebben aanvaard. De bedrijfsgeschiedenis is complex. [Persoon A] is via zijn ouders al lange tijd betrokken bij de HEMA-exploitatie ter plaatse, aanvankelijk als aandeelhouder en later als bestuurder van de oorspronkelijke vennootschap [bedrijf A]. In 1996 richtte hij [appellante A] op voor het vastgoed, en in 2005 [appellante B] voor de exploitatie. In 2010 werd [bedrijf A] door een zuivere juridische splitsing opgeheven, waarbij [appellante A] de eigendom van de bedrijfsruimte verkreeg. In december 2014 dienden appellanten een verzoek in om nadeelcompensatie en planschadevergoeding wegens omzetderving als gevolg van overheidsbesluitvorming rondom de centrumherinrichting. Het college heeft het verzoek (deels) afgewezen met een beroep op actieve risicoaanvaarding: appellanten zouden, gelet op de lange betrokkenheid van [persoon A] en zijn rechtsvoorgangers, de planologische risico's hebben gekend en aanvaard. De centrale juridische vraag in hoger beroep is of deze toerekening van kennis en risicoaanvaarding rechtens juist is, mede gelet op de vennootschapsrechtelijke herstructureringen. De uitspraak is in de aangeleverde tekst onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van de Raad van State niet volledig kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare overwegingen is duidelijk dat het Wro-regime van vóór 2024 van toepassing is en dat de Raad de historische betrokkenheid van [persoon A] bij het bedrijf centraal stelt bij de beoordeling van risicoaanvaarding.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 28 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:350Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:350, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, AWB 24/242

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:351Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:351, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, AWB 24/231

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:355Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:355, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, 26/348

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026OverheidHandhaving
12/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:353Middel
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht

ECLI:NL:CBB:2026:353, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, 23/1730, 23/2034 en 25/760

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026HandhavingVergunningen
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied