Boetebesluit slachterij ingetrokken, hoger beroep niet-ontvankelijk
ECLI:NL:CBB:2026:351, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, AWB 24/231
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De minister heeft met de herziene beslissing op bezwaar de opgelegde boete herroepen. Het beroep van de slachterij wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de slachterij niet langer belang heeft bij beoordeling van haar beroep. Toekenning proceskosten, griffierecht en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Omdat de bestuurlijke fase pas is geëindigd met de herziene beslissing op bezwaar wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten, het griffierecht en de schadevergoeding.
Kern van de zaak
De NVWA legde een boete op aan een slachterij wegens dierenwelzijnsovertreding (schapen zonder drinkwater). De slachterij maakte bezwaar en stelde hoger beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard, omdat de staatssecretaris het boetebesluit met een herziene beslissing op bezwaar volledig heeft ingetrokken, waardoor de slachterij geen belang meer heeft bij de procedure. De staatssecretaris is veroordeeld in de proceskosten (€ 1.868,-) en moet het griffierecht (€ 559,-) vergoeden.
Impactscore
LaagDe uitspraak is procedureel van aard en past binnen bestaande vaste rechtspraak over procesbelang en proceskostenvergoeding bij intrekking; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Belangrijkste punten
- 1Staatssecretaris trok het boetebesluit in via herziene beslissing op bezwaar, waardoor procesbelang verviel
- 2College verklaart hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van belang (artikel 8:75a Awb)
- 3Proceskosten van € 1.868,- en griffierecht van € 559,- komen voor rekening van de staatssecretaris
- 4Verzoek tot matiging van de boete wegens overschrijding redelijke termijn (art. 6 EVRM) wordt gelezen als verzoek om schadevergoeding
- 5College wijst partijen op mogelijkheid om bij intrekking beroep tegelijk verzoek om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding in te dienen
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat intrekking van een boetebesluit door het bestuursorgaan het procesbelang doet vervallen en niet-ontvankelijkheid meebrengt. Tevens verduidelijkt het College dat een matigingsverzoek bij intrekking van de boete omgezet dient te worden in een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Praktische impact
Voor de slachterij betekent de intrekking van het boetebesluit dat zij gevrijwaard is van de opgelegde boete; zij ontvangt bovendien een vergoeding van proceskosten en griffierecht. Zij kan nog afzonderlijk schadevergoeding wegens termijnoverschrijding verzoeken.
Onderwerp-impact
In de agrarische en voedselveiligheidssector onderstreept deze uitspraak dat NVWA-boetes ook in bezwaar en beroep succesvol kunnen worden aangevochten, en dat bestuursorganen bij intrekking alsnog proceskosten moeten vergoeden.
Samenvatting
Op 1 december 2020 voerde de NVWA een inspectie uit bij een slachterij en constateerde dat zestien schapen in een hok geen toegang hadden tot voldoende drinkwater. Op basis hiervan legde de staatssecretaris een boete op wegens overtreding van dierenwelzijnsregelgeving. De slachterij maakte bezwaar en stelde uiteindelijk hoger beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Voordat het College inhoudelijk over de zaak kon oordelen, trok de staatssecretaris op 29 juni 2026 het boetebesluit in via een herziene beslissing op bezwaar. Hiermee werd volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van de slachterij. Partijen zagen af van een zitting. Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, omdat de slachterij door de intrekking geen procesbelang meer heeft. Het College wijst de gemachtigde er tevens op dat bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan, op grond van artikel 8:75a Awb tegelijk een verzoek om proceskostenvergoeding kan worden ingediend, en dat dit verzoek ook een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan omvatten. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van de slachterij ten bedrage van € 1.868,-, berekend op basis van twee punten (beroepschrift en hogerberoepschrift) à € 934,- per punt met wegingsfactor 1. Tevens moet het betaalde griffierecht van € 559,- worden vergoed. Het verzoek van de slachterij om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt door het College omgeduid als een verzoek om schadevergoeding wegens die termijnoverschrijding, nu de boete zelf is ingetrokken. Over de inhoudelijke beoordeling daarvan geeft de beschikbare tekst geen uitsluitsel.