JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:1366Laag32/100

Ontheffing ligplaats woonschip terecht geweigerd door minister

ECLI:NL:RVS:2026:1366, Raad van State, 11-03-2026, 202207030/1/A3

Raad van StateUitspraak: 11 maart 2026Publicatie: 11 maart 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202207030/1/A3
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Handhaving
Vastgoed
Vergunningen
Redelijke Termijn
Rijkswaterstaat
Ligplaatsontheffing
Woonschip
Binnenvaartpolitiereglement

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 29 november 2021 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat een aanvraag van [appellant] om omzetting of verlening van een ontheffing van het ligplaatsverbod in Zijkanaal B te Velserbroek, afgewezen. [appellant] woonde sinds 1991 op het woonschip "Claes van Kyten" op [locatie] in Zijkanaal B. Zijkanaal B is een zijtak van het Noordzeekanaal. Op 13 juli 2010 is aan hem ambtshalve ontheffing verleend voor het innemen van een ligplaats met dat woonschip. Tot 2015 heeft [appellant] gebruik gemaakt van de ligplaats. Op 26 mei 2015 is door medewerkers van Rijkswaterstaat (hierna: RWS) geconstateerd dat het woonschip aan het zinken was door de slechte staat en een gebrek aan onderhoud. Aan [appellant] is spoedeisende bestuursdwang aangezegd en hem is meegedeeld dat op zijn kosten alle noodzakelijke maatregelen ter bescherming van het oppervlaktewater zouden worden genomen. Diezelfde dag heeft [appellant] een afstandsverklaring voor zijn woonschip ondertekend, waarmee de eigendom van het woonschip werd overgedragen aan de minister. Het woonschip is op 17 juni 2015 overgedragen aan een sloopbedrijf.

Kern van de zaak

Appellant woont al decennia op een woonschip in Zijkanaal B en vraagt om een nieuwe of omgezette ontheffing van het ligplaatsverbod na het verlies van zijn vorige woonschip. De minister weigert dit op grond van het Binnenvaartpolitiereglement. Appellant vecht deze weigering aan bij de bestuursrechter.

Beslissing van de rechter

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart zowel het hoger beroep als het beroep tegen het ministerieel besluit ongegrond. De weigering van de ontheffing is terecht gebaseerd op artikel 9.03 lid 6 BPR, dat strekt tot bescherming van de veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer; de eerder verleende ontheffing kon niet worden omgezet op een ander vaartuig.

32van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past bestaand beleid en regelgeving toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact is beperkt tot de specifieke situatie van woonscheepbewoners op rijkswateren die van vaartuig wisselen.

Belangrijkste punten

  • 1De in 2010 verleende ontheffing was persoonsgebonden én scheepsgebonden en kon niet worden overgezet op een ander woonschip ('Vooranker').
  • 2Het woonschip 'Claes van Kyten' is in 2015 door appellant overgedragen na dreiging van spoedeisende bestuursdwang wegens zinken; daarmee verviel de rechtsbasis voor de ontheffing.
  • 3De weigeringsgrond is gebaseerd op artikel 9.03 lid 6 BPR, dat bescherming van veiligheid en vlotheid van scheepvaartverkeer beoogt.
  • 4Ondanks ongegrondverklaring wordt aan appellant een schadevergoeding van € 500,00 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
  • 5Appellant woonde van 2015 tot 2020 in een caravan op de oever en nam daarna opnieuw ligplaats in op dezelfde locatie met een ander schip, wat de urgentie van de aanvraag onderstreept.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat ontheffingen van het ligplaatsverbod op grond van het BPR niet zonder meer overdraagbaar zijn op andere vaartuigen of omzetbaar zijn, en dat artikel 9.03 lid 6 BPR een zelfstandige, strikte weigeringsgrond vormt. Dit verduidelijkt de rechtspositie van woonscheepbewoners die van vaartuig wisselen.

Praktische impact

Appellant kan geen rechtmatige ligplaats innemen met het woonschip 'Vooranker' op de gewenste locatie in Zijkanaal B en dient dit te beëindigen. Woonscheepbewoners die hun vaartuig verliezen of wisselen, kunnen niet automatisch aanspraak maken op voortzetting van een bestaande ontheffing.

Onderwerp-impact

Voor de sector van woonschepen op rijkswateren maakt deze uitspraak duidelijk dat de overheid ontheffingen strikt koppelt aan het specifieke vaartuig en dat verlies van dat vaartuig ook het ontheffingsrecht doet vervallen, ongeacht de duur van de bewoning.

Samenvatting

Deze zaak betreft een woonscheepbewoner die sinds 1991 ligplaats innam in Zijkanaal B, een zijtak van het Noordzeekanaal. In 2010 was hem een ambtshalve ontheffing verleend voor zijn woonschip 'Claes van Kyten'. In 2015 constateerden medewerkers van Rijkswaterstaat dat dit schip aan het zinken was door slechte staat en gebrek aan onderhoud. Onder dreiging van spoedeisende bestuursdwang ondertekende appellant een afstandsverklaring, waarna het schip werd gesloopt. Na jaren in een caravan op de oever te hebben gewoond, nam hij in 2020 ligplaats in met het woonschip 'Vooranker' van een derde. In november 2021 vroeg appellant de minister om hetzij een nieuwe ontheffing voor 'Vooranker', hetzij omzetting van de oude ontheffing op naam van dit schip. De minister weigerde beide verzoeken op grond van artikel 9.03 lid 6 van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). De kernvraag was of de eerder verleende ontheffing kon worden omgezet dan wel of een nieuwe ontheffing verleend diende te worden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat dit niet mogelijk is: de ontheffing was onlosmakelijk verbonden aan het specifieke vaartuig waarvoor zij was afgegeven. Met het verlies van dat vaartuig in 2015 is ook de rechtsbasis voor de ontheffing komen te vervallen. Een nieuwe ontheffing voor een ander schip vereist een nieuwe beoordeling en kan niet automatisch worden verleend op basis van de oude situatie. De weigeringsgrond in het BPR strekt tot bescherming van de veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer en laat geen ruimte voor de door appellant gewenste continuering. Zowel het hoger beroep als het beroep tegen het besluit van 21 november 2022 worden ongegrond verklaard. Wel kent de Afdeling appellant een schadevergoeding van € 500,00 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Staat. De uitspraak verduidelijkt de rechtspositie van woonscheepbewoners die hun vaartuig verliezen of wisselen op rijkswateren.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 23 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4268Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4268, Raad van State, 22-07-2026, 202407951/1/R2

Raad van State22 jul 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4270Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4270, Raad van State, 22-07-2026, 202402337/1/R3

Raad van State22 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4282Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4282, Raad van State, 22-07-2026, 202500140/1/R4

Raad van State22 jul 2026OverheidVergunningen
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4266Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4266, Raad van State, 22-07-2026, 202305427/1/R2

Raad van State22 jul 2026OverheidVergunningen
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied