Omgevingsvergunning arbeidsmigranten recreatiepark terecht geweigerd
ECLI:NL:RVS:2026:4270, Raad van State, 22-07-2026, 202402337/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 8 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Wolden de aanvraag van [appellante] om een tijdelijke omgevingsvergunning voor een periode van vijf jaar voor het huisvesten van maximaal 100 arbeidsmigranten in de recreatieverblijven van het recreatiecentrum Van Harte aan de [locatie] in Echten afgewezen. [appellante] huurt de recreatiebungalows en groepsverblijven op het recreatiepark van Van Harte Beheer B.V.. De grond van het recreatiepark is in eigendom van Staatsbosbeheer. Stichting Recreatiecentrum van Harte (Van Harte) heeft een erfpachtovereenkomst gesloten met Staatsbosbeheer voor het gebruik van de gronden. [appellante] wil arbeidsmigranten op het recreatiepark huisvesten voor vijf jaar. Dat is op grond van de ter plaatse geldende beheersverordening "Buitengebied" niet toegestaan. Daarom heeft [appellante] een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het afwijken van het bestemmingsplan. Op 8 november 2021 heeft het college geweigerd om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo te verlenen. Het college acht het tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten op het recreatiepark niet wenselijk voor de ontwikkeling van het recreatiepark.
Kern van de zaak
Een bedrijf dat recreatiebungalows huurt op een recreatiepark wil vijf jaar lang arbeidsmigranten huisvesten, maar dit is op grond van de beheersverordening 'Buitengebied' niet toegestaan. Het college weigerde een omgevingsvergunning voor planafwijking. De rechtbank oordeelde dat de weigering onvoldoende was gemotiveerd, waarna hoger beroep bij de Raad van State volgde.
Beslissing van de rechter
De uitspraak betreft een hoger beroepszaak bij de Raad van State over de weigering van een omgevingsvergunning voor tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten op een recreatiepark. Op basis van de beschikbare tekst lijkt de Raad van State te oordelen over de motivering van het college; de uitkomst is niet volledig kenbaar uit de verstrekte tekst, maar het geschil draait om de vraag of het college zijn weigeringsbesluit voldoende heeft onderbouwd met de Kadernotitie 'Vitale Recreatieparken De Wolden'.
Impactscore
LaagHet betreft een relatief feitelijke zaak over een specifieke omgevingsvergunning voor één recreatiepark; de uitspraak stelt geen nieuwe rechtsnormen maar past bestaand bestuurs- en omgevingsrecht toe. De tekst is bovendien onvolledig, waardoor de definitieve uitkomst niet zeker is.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht: omdat de aanvraag is ingediend op 22 september 2021 (vóór 1 januari 2024), blijft de Wabo (oud recht) van toepassing.
- 2De grond is eigendom van Staatsbosbeheer; Van Harte heeft een erfpachtovereenkomst; appellante huurt de opstallen.
- 3Het college weigerde de vergunning ex artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo omdat tijdelijke bewoning door arbeidsmigranten onwenselijk is voor de recreatieve ontwikkeling.
- 4De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek: het college steunde met name op de Kadernotitie 'Vitale Recreatieparken De Wolden' zonder dit voldoende toe te lichten.
- 5De tekst van de uitspraak is onvolledig; de uiteindelijke beslissing van de Raad van State is niet volledig kenbaar.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak bevestigt dat bij aanvragen ingediend vóór 1 januari 2024 de Wabo onverkort blijft gelden als overgangsrecht, en dat beleidsnotities zoals kadernotities over vitale recreatieparken deugdelijk moeten worden gemotiveerd bij planafwijkingsbesluiten.
Praktische impact
Voor bedrijven die arbeidsmigranten willen huisvesten op recreatieparken in het buitengebied is een gedegen motivering van het bevoegd gezag vereist; een verwijzing naar beleidskaders volstaat niet zonder nadere onderbouwing van de relevantie voor het concrete geval.
Onderwerp-impact
Voor de huisvestingsproblematiek van arbeidsmigranten en beheerders van recreatieparken verduidelijkt deze zaak dat gemeenten bij het weigeren van tijdelijke huisvestingsvergunningen hun beleidsafwegingen transparant en specifiek moeten onderbouwen.
Samenvatting
Deze zaak bij de Raad van State draait om de weigering van een omgevingsvergunning voor het tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten op een recreatiepark in de gemeente De Wolden. Appellante huurt recreatiebungalows en groepsverblijven van Van Harte Beheer B.V. op gronden die in eigendom zijn van Staatsbosbeheer. Omdat de beheersverordening 'Buitengebied' permanente of tijdelijke bewoning door arbeidsmigranten ter plekke niet toestaat, diende appellante op 22 september 2021 een aanvraag in om af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo. Het college weigerde deze vergunning omdat tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten op het recreatiepark onwenselijk werd geacht voor de recreatieve ontwikkeling. Omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend, is op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet de Wabo (oud) van toepassing en niet de nieuwe Omgevingswet. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat het college zijn weigeringsbesluit van 7 november 2022 onvoldoende had gemotiveerd; het college had met name verwezen naar de Kadernotitie 'Vitale Recreatieparken De Wolden' zonder de relevantie daarvan voor het specifieke geval afdoende toe te lichten. In hoger beroep buigt de Raad van State zich over de vraag of de rechtbank terecht een motiveringsgebrek heeft vastgesteld. De beschikbare tekst van de uitspraak is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van de Raad van State niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De zaak illustreert de spanning tussen gemeentelijk beleid gericht op vitale recreatieparken enerzijds en de maatschappelijke behoefte aan huisvestingsoplossingen voor arbeidsmigranten anderzijds, waarbij deugdelijke motivering van bestuurlijke besluiten een centrale rol speelt.