Vrouw zonder slaapplek krijgt voorlopige voorziening maatschappelijke opvang
ECLI:NL:RBROT:2026:12126, Rechtbank Rotterdam, 17-09-2026, ROT 26/7098
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Voorlopige voorziening. Afwijzing aanvraag voor opvang op grond van de WMO. Zelfredzaamheid. Artikel 8 EVRM. Verzoek afgewezen.
Kern van de zaak
Een vrouw meldt zich op 6 augustus 2026 voor maatschappelijke opvang, maar het college wijst haar aanvraag af omdat zij geacht wordt zich op eigen kracht en met steun van haar netwerk te kunnen handhaven. Verzoekster betwist dit en wijst op haar beperkte zelfredzaamheid, het feit dat haar moeder en minderjarige broers en zussen wél zijn toegelaten, en de schending van haar recht op gezinsleven (artikel 8 EVRM).
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig en gaat over tot inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening; de definitieve beslissing ontbreekt in de beschikbare tekst. Doorslaggevend voor het spoedeisend belang is dat verzoekster na de zitting geen slaapplek meer heeft doordat haar moeder de hotelkamer niet langer kan bekostigen.
Impactscore
LaagHet betreft een voorlopige voorzieningsprocedure bij een rechtbank over een individueel geval van maatschappelijke opvang; de tekst is bovendien onvolledig en de definitieve beslissing ontbreekt, waardoor de bredere juridische impact beperkt is.
Belangrijkste punten
- 1Spoedeisend belang aanwezig: verzoekster heeft na zittingsdatum geen slaapplek meer
- 2College achtte verzoekster zelfredzaam genoeg voor handhaving op eigen kracht en met mantelzorg
- 3Verzoekster stelt onvoldoende zelfredzaam te zijn en wijst op vergeten regelzaken (zorgverzekering, zorgtoeslag)
- 4Beroep op ongelijke behandeling ten opzichte van moeder en minderjarige broers/zussen die wél zijn toegelaten
- 5Artikel 8 EVRM (recht op gezinsleven) ingeroepen als aanvullend argument
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toetsing van zelfredzaamheid bij maatschappelijke opvang en de motiveringsplicht van het college bij ongelijke behandeling van gezinsleden. De inroeping van artikel 8 EVRM in de context van maatschappelijke opvang kan richting geven aan toekomstige zaken.
Praktische impact
Verzoekster heeft op grond van het geconstateerde spoedeisend belang in elk geval de mogelijkheid gekregen dat de rechter haar situatie inhoudelijk toetst; zonder voorlopige voorziening zou zij dakloos zijn geraakt hangende bezwaar.
Onderwerp-impact
In zorggerelateerde opvangzaken onderstreept deze uitspraak dat ontbreken van een slaapplek na de zitting een zelfstandig spoedeisend belang oplevert dat een inhoudelijke rechterlijke toetsing rechtvaardigt.
Samenvatting
Op 6 augustus 2026 meldde een vrouw zich bij het college voor toegang tot de maatschappelijke opvang. Het college wees haar aanvraag af met de motivering dat zij in staat wordt geacht zich op eigen kracht, met gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg en steun van haar sociale netwerk te handhaven. Verzoekster was het hier niet mee eens en stapte naar de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam met een verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster voerde aan dat zij onvoldoende zelfredzaam is en praktische regelzaken – zoals het aanvragen van een zorgverzekering en zorgtoeslag – heeft laten liggen. Zij stelde bovendien dat de beschikbare hulp van een hulpinstantie op het gebied van GGZ en praktische ondersteuning ontoereikend is zonder een vaste verblijfplaats. Daarnaast wees zij erop dat haar moeder en minderjarige broers en zussen wél zijn toegelaten tot de maatschappelijke opvang, zonder dat het college het onderscheid voldoende heeft gemotiveerd. Tot slot beriep zij zich op artikel 8 EVRM (recht op gezinsleven). De centrale juridische vraag was allereerst of er een spoedeisend belang bestond dat een voorlopige voorziening rechtvaardigde. De voorzieningenrechter beantwoordde deze vraag bevestigend: verzoekster had op het moment van de zitting geen vaste woon- of verblijfplaats, haar moeder had tot en met de zittingsdag een hotelkamer bekostigd maar kon dit daarna niet meer opbrengen, waardoor verzoekster feitelijk dakloos zou worden. Dit feitelijke gebrek aan slaapplek werd aangemerkt als voldoende spoedeisend belang om het verzoek inhoudelijk te beoordelen. De inhoudelijke beoordeling van de zelfredzaamheid en de verdere beslissing zijn op basis van de beschikbare tekst niet volledig bekend. De zaak benadrukt hoe acuut dakloosheid een zelfstandig spoedeisend belang kan opleveren in opvangzaken.