Vorderingen tegen Staat afgewezen wegens ontbreken Unierecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2981, Rechtbank Den Haag, 18-02-2026, C/09/682584 / HA ZA 25-284
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)In deze zaak vorderen VVNL c.s. verklaringen voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor onrechtmatige rechtspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft volgens VVNL c.s. namelijk ten onrechte nagelaten ambtshalve te toetsen aan artikelen 28 en 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ook zou de Afdeling ten onrechte geen prejudiciële vragen hebben gesteld aan het Europese Hof van Justitie. De rechtbank wijst de vorderingen af. In de kwesties die bij de Afdeling speelden was er namelijk geen Unierecht aan de orde. Daardoor is het in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingskader voor lidstaataansprakelijkheid bij schending van Unierecht niet van toepassing in deze zaak.
Kern van de zaak
VVNL c.s. dagvaardde de Staat der Nederlanden en vorderde schadevergoeding op grond van lidstaataansprakelijkheid (Köbler-doctrine), stellende dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in hoogste aanleg het Unierecht heeft geschonden. De Staat betwistte de vordering.
Beslissing van de rechter
De rechtbank Den Haag wijst de vorderingen af. De doorslaggevende reden is dat in de aan de Afdeling voorgelegde kwesties geen Unierecht aan de orde was, waardoor het Köbler-toetsingskader voor lidstaataansprakelijkheid wegens schending van Unierecht niet van toepassing is.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past bestaande Europese jurisprudentie (Köbler) toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen, maar is relevant voor de afbakening van lidstaataansprakelijkheid in nationaalrechtelijke contexten en heeft betekenis voor vergelijkbare vorderingen.
Belangrijkste punten
- 1Lidstaataansprakelijkheid op grond van het Köbler-arrest vereist als eerste en absolute drempelvoorwaarde dat Unierecht aan de orde is in de onderliggende procedure.
- 2Nu de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak deed in kwesties zonder Unierechtelijke dimensie, is het Köbler-kader niet toepasselijk.
- 3De drie Köbler-voorwaarden (rechtenbeschermend karakter, kennelijke gekwalificeerde schending, causaal verband) komen pas aan bod als aan de drempelvoorwaarde is voldaan.
- 4De rechtbank beoordeelt of sprake is van een kennelijke en voldoende gekwalificeerde schending aan de hand van alle relevante omstandigheden, waaronder de mate van duidelijkheid van de geschonden regel.
- 5De cao-partijen hadden een incidentele conclusie tot voeging ingediend, wat wijst op een bredere maatschappelijke context van de procedure.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de Köbler-doctrine een strikte toepassingsdrempel kent: zonder Unierechtelijke grondslag in de onderliggende rechterlijke beslissing is lidstaataansprakelijkheid wegens rechterlijke schending uitgesloten. Dit begrenst het gebruik van de Köbler-route als alternatief rechtsmiddel bij puur nationaalrechtelijke geschillen.
Praktische impact
VVNL c.s. ontvangt geen schadevergoeding van de Staat en wordt geconfronteerd met de afwijzing van hun aansprakelijkheidsclaim; zij zullen eventuele schade via andere rechtswegen moeten proberen te verhalen.
Onderwerp-impact
Voor overheidsaansprakelijkheidskwesties verduidelijkt deze uitspraak dat Köbler-claims niet kunnen worden ingezet als correctiemechanisme bij uitspraken van de hoogste bestuursrechter die uitsluitend nationaal recht toepassen.
Samenvatting
In deze procedure vorderde VVNL c.s. schadevergoeding van de Staat der Nederlanden, gebaseerd op de zogenoemde Köbler-doctrine van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Op grond van die doctrine kan een lidstaat aansprakelijk worden gehouden voor schade die het gevolg is van een beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechterlijke instantie, mits aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: (1) de geschonden regel van Unierecht strekt ertoe particulieren rechten toe te kennen, (2) er is sprake van een kennelijke en voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht, en (3) er bestaat een rechtstreeks causaal verband tussen die schending en de geleden schade. VVNL c.s. stelde dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, als rechter in hoogste aanleg, bij haar uitspraken het Unierecht had geschonden en dat de Staat daarvoor aansprakelijk diende te worden gehouden. De rechtbank Den Haag wijst alle vorderingen af. De centrale en afdoende reden daarvoor is dat de kwesties die destijds bij de Afdeling speelden geen Unierechtelijke dimensie hadden: er was uitsluitend nationaal recht aan de orde. Dit ontbreken van een Unierechtelijke grondslag is een absolute drempelvoorwaarde voor toepassing van het Köbler-kader. Zonder die drempel toe te kunnen nemen, komen de drie inhoudelijke Köbler-voorwaarden niet aan de orde en falen de vorderingen reeds bij de poort. De rechtbank benadrukt dat bij de beoordeling of sprake is van een kennelijke en voldoende gekwalificeerde schending alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen, maar dat aan die beoordeling niet wordt toegekomen nu Unierecht eenvoudigweg niet in het geding was. De uitspraak illustreert de strikte toepassingsdrempel van de Köbler-aansprakelijkheid en verheldert dat deze doctrine niet kan worden ingezet als correctiemechanisme voor vermeende rechterlijke onjuistheden in puur nationaalrechtelijke procedures.