Mentor niet-ontvankelijk in vordering bezoekbeperking meerderjarige
ECLI:NL:RBDHA:2026:23361, Rechtbank Den Haag, 26-08-2026, C/09/697335
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Mentor van een meerderjarige verzoekt omgangsregeling tussen de meerderjarige en vader. De rechtbank oordeelt dat het bepalen over de omgang tussen de meerderjarige en zijn vader een niet-vermogensrechtelijke en hoogstpersoonlijke aangelegenheid is, waarover de mentor niet zonder meer namens de meerderjarige kan procederen. De mentor wordt niet-ontvankelijk verklaard. Artikelen 8 EVRM; 1:453 BW; 1:458 BW.
Kern van de zaak
Een mentor vorderde namens een meerderjarige man met een beperking een beperking van de omgang met diens vader. De meerderjarige zelf was niet bij de procedure betrokken en had geen machtiging of verklaring afgegeven. De rechtbank moest beoordelen of de mentor ontvankelijk was om namens hem op te treden.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart de mentor niet-ontvankelijk in zijn vordering. De doorslaggevende reden is dat de meerderjarige zelf niet bij de procedure betrokken was en geen machtiging of inhoudelijke verklaring had afgegeven, waardoor de mentor niet bevoegd was namens hem een beperking van de omgang te vorderen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een specifieke maar niet zeldzame situatie in de zorgpraktijk en geeft een duidelijk signaal over de grenzen van het mentorschap bij omgangsgeschillen. De impact is beperkt tot rechtbank-niveau en heeft geen richtinggevend karakter.
Belangrijkste punten
- 1Een meerderjarige kan in beginsel zelf beslissen met wie hij omgang heeft, ook als hij onder mentorschap staat.
- 2De mentor had geen machtiging of verklaring van de meerderjarige overgelegd ter onderbouwing van de vordering.
- 3Artikel 8 EVRM beschermt familiebanden tussen volwassen familieleden alleen bij 'additional factors of dependence' buiten normale emotionele banden.
- 4De rechtbank stelde vast dat zulke aanvullende factoren aanwezig waren gezien de beperking en historische zorgsituatie, maar dit leidde niet tot ontvankelijkheid van de mentor.
- 5De mentor werd veroordeeld in de proceskosten van € 1.585,00.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat een mentor niet zonder meer bevoegd is om namens een meerderjarige met een beperking omgangsbeperkingen te vorderen, en dat betrokkenheid van of een machtiging door de meerderjarige zelf vereist is. Dit raakt de reikwijdte van het mentorschap bij persoonlijke aangelegenheden zoals omgang.
Praktische impact
Mentoren die omgangsbeperkingen willen afdwingen voor meerderjarigen onder hun hoede, moeten de meerderjarige zelf (indien mogelijk) betrekken bij de procedure of een machtiging overleggen. Zonder die betrokkenheid lopen zij het risico niet-ontvankelijk te worden verklaard en in de proceskosten te worden veroordeeld.
Onderwerp-impact
Voor de zorgsector is deze uitspraak relevant: zorgverleners en mentoren moeten bij juridische stappen rondom omgang van meerderjarige cliënten zorgvuldig omgaan met de autonomie van de cliënt en procedurele vereisten.
Samenvatting
Deze zaak betreft een vordering van een mentor namens een meerderjarige man met een verstandelijke beperking, die verblijft in een zorginstelling. De mentor verzocht de rechtbank een bezoekregeling op te leggen die de omgang tussen de meerderjarige en zijn vader zou beperken. De vader betwistte zowel de ontvankelijkheid van de mentor als de inhoudelijke bezwaren. De centrale juridische vraag was of de mentor bevoegd was om namens de meerderjarige een dergelijke omgangsbeperking te vorderen, nu de meerderjarige zelf niet als partij in de procedure was betrokken en hij geen machtiging of verklaring had afgegeven. De rechtbank beoordeelde eerst of artikel 8 EVRM, dat het recht op gezinsleven beschermt, in het geding was. Familiebanden tussen volwassen familieleden vallen volgens vaste EHRM-rechtspraak alleen onder de bescherming van artikel 8 EVRM indien sprake is van 'additional factors of dependence', dus meer dan normale emotionele banden. De rechtbank oordeelde dat dergelijke aanvullende factoren aanwezig waren, gezien de afhankelijkheid van de meerderjarige door zijn beperking en de historische betrokkenheid van de vader bij zijn verzorging en begeleiding. Desondanks leidde dit niet tot een inhoudelijke behandeling van de vordering. De rechtbank concludeerde dat een meerderjarige in beginsel zelf kan beslissen met wie hij omgang heeft. Nu de meerderjarige niet zelf bij de procedure betrokken was en evenmin een machtiging of inhoudelijke verklaring had afgegeven, ontbrak de noodzakelijke basis voor de mentor om namens hem op te treden in deze omgangskwestie. De mentor werd daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en veroordeeld in de proceskosten van € 1.585,00. De uitspraak benadrukt dat het mentorschap niet automatisch de bevoegdheid omvat om zonder betrokkenheid van de meerderjarige zelf diens persoonlijke omgangsrelaties juridisch te beperken.