Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over biometrische gegevens en Wwft
ECLI:NL:HR:2026:921, Hoge Raad, 12-06-2026, 24/02161
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Contractenrecht. Financieel recht. Unierecht. Verplichting kaarthouder om zich te identificeren met pasfoto waarbij kopie van (identiteitsbewijs met) deze foto wordt opgeslagen. Zijn instellingen op grond van Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), in samenhang met art. 40 (gewijzigde) Europese vierde anti-witwasrichtlijn, verplicht tot opslaan van (pas)foto die gebruikt is bij identificatie (art. 3 Wwft, art. 11 Wwft, art. 33 Wwft, art. 38 Wwft en art. 4 Uitvoeringsregeling Wwft)? Is vastleggen of opslaan van (kopie van) pasfoto verwerking van biometrisch gegeven (art. 9 lid 1 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en art. 4 onder 14 AVG)? Verwerking van persoonsgegevens, eisen art. 5 en 6 AVG. Bijzondere categorie persoonsgegevens (art. 9 AVG). Bescherming privacy (art. 7, 8 en 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 8 EVRM). Hoge Raad stelt vragen aan HvJEU.
Kern van de zaak
Een kaarthoudster weigerde mee te werken aan online identificatie door ICS (foto identiteitsbewijs + selfie) vanwege principiële bezwaren tegen opslag van haar foto's. ICS zegde daarop de creditcardovereenkomst op. De kaarthoudster vocht dit aan, waarbij de kern draait om de vraag of foto-opslag biometrische gegevensverwerking is onder de AVG en of de Wwft tot die opslag verplicht.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad heeft nog geen eindbeslissing genomen en stelt prejudiciële vragen aan het HvJEU. De centrale rechtsvragen — of opgeslagen pasfoto's kwalificeren als biometrische gegevens ex art. 9 AVG en hoe art. 33 Wwft (implementatie van art. 40 vierde anti-witwasrichtlijn) zich verhoudt tot de AVG — vergen Unierechtelijke uitleg waarover redelijke twijfel bestaat.
Impactscore
RichtinggevendDe Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJEU over de uitleg van de AVG en de anti-witwasrichtlijn, kwesties die de gehele EU-financiële sector en het bredere privacyrecht raken; de uitkomst zal bindend zijn voor vergelijkbare KYC-identificatiepraktijken in alle lidstaten.
Belangrijkste punten
- 1Opzegging creditcardovereenkomst door ICS wegens weigering online identificatie (foto + selfie) door kaarthoudster staat centraal
- 2Hoge Raad twijfelt of vastleggen van een pasfoto kwalificeert als verwerking van biometrische gegevens met oog op unieke identificatie (art. 9 lid 1 AVG)
- 3Prejudiciële vragen aan HvJEU noodzakelijk over uitleg art. 40 lid 1 vierde anti-witwasrichtlijn en verhouding tot AVG
- 4Een recente HvJEU-uitspraak na het tussenarrest van 13 maart 2026 geeft aanleiding ook over onderdeel 1 een vraag te stellen
- 5Eindbeslissing over de geldigheid van de opzegging en de AVG-conformiteit van ICS' werkwijze is aangehouden totdat HvJEU heeft geantwoord
Impactanalyse
Juridische impact
De uitkomst van de prejudiciële procedure bepaalt de reikwijdte van het begrip 'biometrische gegevens' in de AVG en de verhouding tussen anti-witwasverplichtingen en privacyrecht voor de gehele financiële sector in de EU. Dit arrest is richtinggevend voor de vraag in hoeverre Wwft-verplichtingen een geldige grondslag bieden voor foto-opslag die anders onder het AVG-verbod van art. 9 zou vallen.
Praktische impact
Financiële instellingen die online-identificatie via foto's en selfies hanteren als onderdeel van hun KYC-proces, verkeren in onzekerheid over de rechtmatigheid van die werkwijze totdat het HvJEU uitspraak doet. Consumenten die bezwaar maken tegen foto-identificatie kunnen vooralsnog niet op een definitief antwoord van de Hoge Raad rekenen.
Onderwerp-impact
Voor de databeschermingspraktijk en de financiële-dienstverlening is dit arrest van groot belang: de uitkomst bepaalt of identiteitsverificatie via foto's standaard KYC-praktijk kan blijven of fundamenteel moet worden herzien vanuit AVG-perspectief.
Samenvatting
In deze zaak staat centraal of ICS de creditcardovereenkomst met een kaarthoudster rechtsgeldig mocht opzeggen omdat zij weigerde mee te werken aan online identificatie — bestaande uit het aanleveren van een foto van haar identiteitsbewijs en een selfie. De kaarthoudster heeft principiële bezwaren tegen het opslaan en bewaren van haar foto's door ICS. ICS stelt dat deze identificatie verplicht is op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De rechtsvragen die de Hoge Raad moet beantwoorden zijn tweeledig. Ten eerste: kwalificeert het vastleggen of opslaan van een pasfoto door ICS als verwerking van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon in de zin van art. 9 lid 1 AVG, waardoor die verwerking in beginsel verboden is? Ten tweede: bevat art. 33 Wwft — de implementatie van art. 40 van de vierde EU-anti-witwasrichtlijn — een verplichting tot het opslaan van (pas)foto's, en zo ja, hoe verhoudt die verplichting zich tot het AVG-verbod? De Hoge Raad heeft in een tussenarrest van 13 maart 2026 al het voornemen geuit prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). In het onderhavige arrest constateert de Hoge Raad dat een recente uitspraak van het HvJEU na dat tussenarrest aanleiding geeft ook over de eerste rechtsvraag — die aanvankelijk als afgedaan werd beschouwd — een prejudiciële vraag te stellen. De eindbeslissing over de geldigheid van de opzegging en de AVG-conformiteit van ICS' identificatiemethode is dan ook aangehouden. Dit arrest is richtinggevend omdat het antwoord van het HvJEU bepalend zal zijn voor de gehele financiële sector in de EU: het verduidelijkt de reikwijdte van het begrip biometrische gegevens en de verhouding tussen anti-witwasverplichtingen en het privacyrecht onder de AVG.