Dwangsomverzoek AVG-inzage terecht afgewezen door Dienst Toeslagen
ECLI:NL:RVS:2026:5362, Raad van State, 09-09-2026, 202502830/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 29 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] medegedeeld dat zijn ingebrekestelling niet in behandeling wordt genomen en dat zijn verzoek om een dwangsom wordt afgewezen. [appellante] heeft bij de Dienst Toeslagen verzoeken om inzage op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming ingediend. Op 16 maart 2022 hij de Dienst Toeslagen in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoeken. Bij besluit van 29 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] meegedeeld dat zijn ingebrekestelling niet in behandeling wordt genomen omdat hij de Dienst Toeslagen eerder in gebreke heeft gesteld en al een toewijzende beschikking heeft gekregen. De Dienst Toeslagen heeft zijn verzoek om het toekennen van een dwangsom daarom afgewezen.
Kern van de zaak
Appellante diende inzageverzoeken in op grond van de AVG bij de Dienst Toeslagen en stelde die dienst in gebreke wegens niet-tijdig beslissen. De Dienst Toeslagen wees het dwangsomverzoek af omdat eerder al een toewijzende beschikking was afgegeven. Appellante vorderde in hoger beroep alsnog een aanvullende dwangsom van €15.000 plus wettelijke rente.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond. Artikel 8:55d Awb is niet van toepassing omdat appellante geen beroep heeft ingesteld wegens niet-tijdig beslissen, maar tegen de afwijzing van zijn dwangsomverzoek na bezwaar; die situatie valt buiten het toepassingsbereik van de rechterlijke dwangsombevoegdheid.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie over de toepassingsvoorwaarden van artikel 8:55d Awb en stelt geen nieuwe rechtsnormen; de zaak is feitelijk en procedureel van beperkte reikwijdte.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 8:55d Awb geeft de rechter slechts bevoegdheid een dwangsom op te leggen bij beroep wegens niet-tijdig beslissen, niet bij beroep tegen een inhoudelijk besluit over een dwangsomverzoek.
- 2Een eerdere toewijzende beschikking op een ingebrekestelling sluit een nieuwe dwangsom uit bij een nieuwe, vergelijkbare ingebrekestelling.
- 3Het onderscheid tussen beroep wegens niet-tijdig beslissen en beroep tegen een beslissing op bezwaar is juridisch bepalend voor de toepasselijkheid van artikel 8:55d Awb.
- 4De Dienst Toeslagen hoefde de tweede ingebrekestelling van appellante niet in behandeling te nemen gelet op de reeds verleende beschikking.
- 5Zowel de rechtbank in eerste aanleg als de Raad van State in hoger beroep verklaren het beroep respectievelijk het hoger beroep ongegrond.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat artikel 8:55d Awb strikt procedureel moet worden uitgelegd: de rechterlijke dwangsombevoegdheid geldt uitsluitend bij beroepen wegens niet-tijdig beslissen en niet bij beroepen tegen inhoudelijke besluiten over dwangsomverzoeken. Dit beperkt de mogelijkheden voor burgers om langs indirecte weg een aanvullende dwangsom te verkrijgen.
Praktische impact
Voor appellante betekent dit dat de gevorderde aanvullende dwangsom van €15.000 plus wettelijke rente niet wordt toegekend. Burgers die AVG-inzageverzoeken indienen bij de Dienst Toeslagen kunnen niet via een tweede ingebrekestelling een extra dwangsom afdwingen als zij al eerder een toewijzende beschikking hebben ontvangen.
Onderwerp-impact
In de context van de toeslagenaffaire onderstreept deze uitspraak dat procedurele dwangsoommechanismen beperkte reikwijdte hebben voor gedupeerden die om inzage in hun persoonsgegevens verzoeken, zelfs als de Dienst Toeslagen eerder te laat reageerde.
Samenvatting
In deze zaak had appellante bij de Dienst Toeslagen verzoeken om inzage ingediend op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Omdat de Dienst Toeslagen niet tijdig op deze verzoeken reageerde, stelde appellante de dienst op 16 maart 2022 in gebreke. De Dienst Toeslagen wees het verzoek om een bestuurlijke dwangsom af omdat appellante eerder al een ingebrekestelling had ingediend en daarvoor reeds een toewijzende beschikking had ontvangen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd ongegrond verklaard, en de rechtbank bevestigde dit oordeel in beroep. In hoger beroep betoogde appellante dat hij op grond van artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naast de eerder toegekende bestuurlijke dwangsom ook recht had op een aanvullende rechterlijke dwangsom van €15.000, verhoogd met wettelijke rente. De juridische kern van het geschil was daarmee de vraag of artikel 8:55d Awb van toepassing is op deze situatie. De Raad van State beantwoordt deze vraag ontkennend. Artikel 8:55d Awb bepaalt dat de rechter bij een gegrond beroep wegens niet-tijdig beslissen een dwangsom kan verbinden aan zijn uitspraak, indien op dat moment nog geen besluit is bekendgemaakt. In dit geval had appellante echter geen beroep ingesteld wegens niet-tijdig beslissen, maar tegen de inhoudelijke beslissing op bezwaar waarbij zijn dwangsomverzoek werd afgewezen. Daarmee is de procedurele drempel voor toepassing van artikel 8:55d Awb niet gehaald. De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat de bevoegdheid van de rechter om een dwangsom op te leggen strikt is gebonden aan het specifieke geval van een beroep wegens niet-tijdig beslissen. De gevorderde aanvullende dwangsom en wettelijke rente worden niet toegekend.