Rectificatieverzoek politieproces-verbaal door appellant afgewezen
ECLI:NL:RVS:2026:5327, Raad van State, 09-09-2026, 202201628/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 14 april 2021 heeft de korpschef het verzoek van [appellant] om rectificatie van een proces-verbaal op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg), afgewezen. [appellant] heeft op 5 februari 2021 een rectificatieverzoek bij de korpschef ingediend over een proces-verbaal van 15 september 2020 en alle achterliggende stukken. Dit verzoek bestond uit 25 punten. De korpschef heeft het rectificatieverzoek op een aantal punten afgewezen en op een aantal punten ingewilligd. De gedeeltelijke afwijzing is gebaseerd op de grond dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de politiegegevens onjuist zijn. Het correctierecht is niet bedoeld om meningen en conclusies waarmee een betrokkene zich niet kan verenigen te laten rectificeren. [appellant] is het niet eens met de besluitvorming.
Kern van de zaak
Appellant diende in 2021 een rectificatieverzoek in bij de korpschef over een politieproces-verbaal uit 2020 en de achterliggende stukken, bestaande uit 25 punten. De korpschef wees het verzoek gedeeltelijk af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de politiegegevens onjuist zijn. Appellant ging hiertegen in beroep en stelde dat de geldende jurisprudentie onhoudbaar is en een effectief rechtsmiddel ontbreekt.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Doorslaggevend is dat het correctierecht op grond van de Wpg niet bedoeld is om meningen en conclusies in een proces-verbaal waarmee een betrokkene zich niet kan verenigen te laten rectificeren, en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de politiegegevens feitelijk onjuist zijn.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevestigt bestaande vaste jurisprudentie zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; er is geen koerswijziging en de Afdeling wijst uitdrukkelijk het verzoek af om de eerdere lijn te verlaten.
Belangrijkste punten
- 1Het correctierecht (art. 28 Wpg) is niet bedoeld voor rectificatie van meningen, indrukken en conclusies van politieambtenaren in een proces-verbaal.
- 2De bewijslast ligt bij de verzoeker: deze moet aannemelijk maken dat politiegegevens feitelijk onjuist zijn.
- 3Appellant betoogde dat de bestaande jurisprudentie onhoudbaar is en geen effectief rechtsmiddel biedt, maar de Afdeling volgt dit betoog niet.
- 4Het argument van 'inequality of arms' – dat processen-verbaal in strafrecht wel tegen betrokkenen worden gebruikt maar bestuursrechtelijk niet kunnen worden aangepast – wordt verworpen.
- 5De Raad van State bevestigt de vaste lijn uit de uitspraak van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3122) ongewijzigd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande vaste jurisprudentie over de reikwijdte van het correctierecht onder de Wet politiegegevens en laat geen ruimte voor uitbreiding naar subjectieve oordelen en conclusies in processen-verbaal. Het argument van effectieve rechtsbescherming en 'inequality of arms' wordt niet gehonoreerd.
Praktische impact
Burgers (waaronder activisten) die het niet eens zijn met de inhoud van politieprocessen-verbaal kunnen via het bestuursrechtelijke correctierecht uitsluitend feitelijke onjuistheden laten rectificeren, maar niet de subjectieve waarnemingen, meningen of conclusies van politieambtenaren.
Onderwerp-impact
Voor personen die in aanraking komen met de politie en bezwaar hebben tegen de wijze waarop zij in processen-verbaal worden beschreven, biedt het correctierecht onder de Wpg slechts beperkte mogelijkheden; de uitspraak bevestigt dit beperkende kader.
Samenvatting
Deze zaak draait om de reikwijdte van het correctierecht onder de Wet politiegegevens (Wpg). Appellant diende in februari 2021 een rectificatieverzoek in bij de korpschef, gericht op aanpassing van een politieproces-verbaal van september 2020 en de achterliggende stukken. Het verzoek omvatte 25 punten. De korpschef wees het verzoek gedeeltelijk af, op de grond dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de opgenomen politiegegevens feitelijk onjuist zijn. Daarbij stelde de korpschef uitdrukkelijk dat het correctierecht niet bedoeld is om meningen en conclusies waarmee een betrokkene zich niet kan verenigen, te laten rectificeren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling. In hoger beroep betoogde appellant dat deze jurisprudentie onhoudbaar is. Hij voerde aan dat processen-verbaal in strafrechtelijke procedures wel worden gebruikt als bewijs tegen betrokkenen – ook al bevatten zij subjectieve indrukken en conclusies van politieambtenaren – terwijl er via het bestuursrecht geen mogelijkheid bestaat deze aan te passen. Dit zou leiden tot een situatie van 'inequality of arms' en een ontbrekend effectief rechtsmiddel. De Raad van State verwerpt dit betoog. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De kern van de beslissing is dat het correctierecht uitsluitend ziet op feitelijke onjuistheden en dat de bewijslast hiervoor bij de verzoeker ligt. Meningen, indrukken en conclusies van politieambtenaren vallen buiten de reikwijdte van dit recht. De vaste lijn uit de uitspraak van 7 oktober 2015 wordt ongewijzigd bevestigd. Voor betrokkenen – en in het bijzonder voor activisten die regelmatig met politieprocessen-verbaal te maken krijgen – biedt het bestuursrechtelijke correctierecht daarmee slechts een beperkt instrument.