Inverzekeringstelling minderjarige in strijd met IVRK en EVRM
ECLI:NL:HR:2026:679, Hoge Raad, 17-04-2026, 24/03727
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Overheidsprivaatrecht. Procesrecht. Aansprakelijkheid Staat voor strafrechtelijk optreden. Art. 5 lid 1 en 3 EVRM en art. 37, aanhef en onder b en d, IVRK. Inverzekeringstelling minderjarige (art. 57 Sv). Betekenis beschikking ex art. 89 (oud) Sv voor civiele schadevergoedingsprocedure. Toetsing door burgerlijke rechter van beslissing tot geven van bevel tot inverzekeringstelling; maatstaf miskend? Moment voorgeleiding aan r-c (art. 59a lid 1 (oud) Sv); binnen 24 uur na aanhouding in geval van veertienjarige verdachte?
Kern van de zaak
Een minderjarige werd in voorarrest gehouden onder omstandigheden die niet waren toegesneden op haar leeftijd. Zij verzocht om schadevergoeding wegens het onrechtmatige voorarrest. De zaak betreft de vraag of de inverzekeringstelling in strijd was met art. 37 IVRK en art. 5 EVRM.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad oordeelt dat het bevel tot inverzekeringstelling in strijd is gegeven met art. 37, aanhef en onder b, IVRK en art. 5 lid 1 EVRM. De immateriële schadevergoeding wordt vastgesteld op € 630,= door de LOVS-dagvergoeding met factor 3 te vermenigvuldigen vanwege de bovengemiddeld ingrijpende omstandigheden van het voorarrest.
Impactscore
HoogDe Hoge Raad geeft een inhoudelijk oordeel over de rechtstreekse werking van art. 37 IVRK bij inverzekeringstelling van minderjarigen, wat richtinggevend is voor de detentiepraktijk en schadevergoedingspraktijk, maar betreft een deels feitelijk oordeel in een individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Inverzekeringstelling minderjarige in strijd met art. 37 IVRK (vrijheidsbeneming als uiterste maatregel) en art. 5 lid 1 EVRM
- 2Ten tijde van het voorarrest waren aanbevelingen van Nationale Ombudsman en Kinderombudsman over minderjarigenregime nog niet geïmplementeerd
- 3Immateriële schadevergoeding vastgesteld op € 630,= (LOVS-dagvergoeding × factor 3) wegens bovengemiddeld ingrijpend karakter
- 4PTSS-schade wordt buiten beschouwing gelaten omdat civiele procedure daarvoor nog overwogen wordt
- 5Materiële schade viel buiten het oordeel van de strafrechter en blijft onderwerp van afzonderlijke procedure
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt dat inverzekeringstelling van minderjarigen directe toetsing vereist aan art. 37 IVRK als uiterste maatregel, naast de waarborgen van art. 5 EVRM. Dit versterkt de rechtstreekse werking van het IVRK in het Nederlandse strafprocesrecht.
Praktische impact
Minderjarigen die ten onrechte of onder ontoereikende omstandigheden in voorarrest hebben gezeten, kunnen aanspraak maken op verhoogde immateriële schadevergoeding wanneer leeftijdsadequate voorzieningen ontbraken.
Onderwerp-impact
Voor de detentiepraktijk bij minderjarigen geldt dat het ontbreken van geïmplementeerde ombudsmanrichtlijnen als verzwarende omstandigheid bij schadebegroting wordt meegewogen.
Samenvatting
Deze Hoge Raad-uitspraak van 17 april 2026 betreft een minderjarige die in voorarrest werd gehouden onder omstandigheden die niet waren afgestemd op haar leeftijd. Ten tijde van haar inverzekeringstelling waren de aanbevelingen van de Nationale Ombudsman en de Kinderombudsman over het detentieregime voor minderjarigen nog niet geïmplementeerd. Dit had concrete gevolgen: bezoek van haar moeder kon slechts plaatsvinden achter een glaswand, en zij bracht een nacht door in een observatiecel — waarvoor overigens een objectieve reden aanwezig bleek. De centrale juridische vraag was of de inverzekeringstelling in strijd was met art. 37, aanhef en onder b, IVRK (dat vrijheidsbeneming van kinderen als uiterste maatregel voorschrijft) en art. 5 lid 1 EVRM, en welke schadevergoeding daarvoor passend is. De Hoge Raad oordeelt dat het bevel tot inverzekeringstelling inderdaad in strijd is gegeven met beide verdragsbepalingen. Voor de immateriële schade acht de rechtbank het billijk de standaard LOVS-dagvergoeding te vermenigvuldigen met factor 3, resulterend in € 630,=. Hogere vergoeding wordt afgewezen: enerzijds omdat de gestelde PTSS-schade bewust buiten de procedure wordt gehouden in verband met een nog te starten civiele procedure, anderzijds omdat de eetwensen bij bekendheid wel zouden zijn gerespecteerd. Materiële schade valt buiten het oordeel van de strafrechter. De uitspraak is juridisch significant omdat zij de rechtstreekse werking van het IVRK in het Nederlandse strafprocesrecht bevestigt en verduidelijkt dat het ontbreken van geïmplementeerde ombudsnormen als verzwarende omstandigheid bij schadebegroting geldt. Voor de praktijk betekent dit dat detentie-instellingen verplicht zijn leeftijdsadequate voorzieningen te treffen voor minderjarigen, op straffe van verhoogde schadevergoedingsplicht.