Hoge Raad verduidelijkt tegenstrijdig belang bestuurder BV
ECLI:NL:HR:2026:592, Hoge Raad, 10-04-2026, 25/01580
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Ondernemingsrecht. Enquêteprocedure. Art. 2:239 BW. Tegenstrijdig belang. Is het aan desbetreffende bestuurder zelf of aan overige bestuurders om te beslissen of zich tegenstrijdig belang voordoet dat in weg staat aan deelname aan beraadslaging en besluitvorming?
Kern van de zaak
In een enquêteprocedure tegen Getir beoordeelde de Ondernemingskamer of bepaalde bestuursbesluiten rechtsgeldig waren genomen buiten aanwezigheid van bestuurders met een mogelijk tegenstrijdig belang. Verzoekers stelden cassatieberoep in tegen de beslissing van de Ondernemingskamer Amsterdam van 24 januari 2025.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, conform de conclusie van de Advocaat-Generaal. Doorslaggevend is de vraag wie mag beoordelen of een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft: bij gebreke van een statutaire regeling is dit primair de bestuurder zelf, waarbij bij geschil de rechter moet worden ingeschakeld door de bestuurders die uitsluiting wensen.
Impactscore
RichtinggevendDe Hoge Raad stelt een fundamentele rechtsregel vast over de procedurele bevoegdheidsverdeling bij tegenstrijdig belang van bestuurders onder art. 2:239 BW, die van belang is voor de rechtspraktijk van vennootschapsrecht en corporate governance.
Belangrijkste punten
- 1Art. 2:239 lid 6 BW bepaalt dat een bestuurder niet deelneemt aan besluitvorming bij een direct of indirect persoonlijk tegenstrijdig belang.
- 2Bij gebreke van een statutaire regeling is het in beginsel aan de betrokken bestuurder zelf om te beoordelen of hij een tegenstrijdig belang heeft.
- 3Bij een geschil over deelname aan besluitvorming moeten de bestuurders die uitsluiting wensen zich tot de rechter wenden, zo nodig in kort geding.
- 4Een tegenstrijdig belang bestaat wanneer onverenigbare belangen er in redelijkheid aan doen twijfelen of de bestuurder zich uitsluitend laat leiden door het vennootschapsbelang.
- 5De Hoge Raad bevestigt dat de beoordeling van een tegenstrijdig belang afhankelijk is van alle omstandigheden van het concrete geval.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad geeft een richtinggevende verduidelijking over de procedurele gang van zaken bij tegenstrijdig belang onder art. 2:239 lid 6 BW: de bestuurder met het vermeende tegenstrijdige belang behoudt in beginsel zelf het oordeel, en de rechter treedt alleen in op initiatief van de uitsluitende partij.
Praktische impact
Bestuurders en vennootschappen dienen er rekening mee te houden dat het niet rechtsgeldig uitsluiten van een bestuurder zonder rechterlijke tussenkomst risico's meebrengt voor de geldigheid van bestuursbesluiten; statuten kunnen hiervan afwijken.
Onderwerp-impact
Voor corporate governance in besloten vennootschappen verduidelijkt deze uitspraak de bevoegdheidsverdeling bij conflicterende belangen binnen het bestuur, met name in situaties zonder raad van commissarissen.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal de vraag wie in een besloten vennootschap mag beoordelen of een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft in de zin van art. 2:239 lid 6 BW, en welke procedure gevolgd moet worden wanneer bestuurders het daarover oneens zijn. De achtergrond is een enquêteprocedure waarbij verzoekers opkwamen tegen besluiten die door uitvoerende bestuurders van Getir waren genomen buiten aanwezigheid van collega-bestuurders. De Ondernemingskamer Amsterdam had op 24 januari 2025 geoordeeld over de rechtsgeldigheid van die besluiten, waarna verzoekers cassatie instelden bij de Hoge Raad. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en sluit zich aan bij de conclusie van Advocaat-Generaal Assink. De Hoge Raad verduidelijkt dat het – bij gebreke van een andersluidende statutaire regeling – in beginsel aan de bestuurder zelf is om te beoordelen of hij belast is met een tegenstrijdig belang dat deelname aan de besluitvorming uitsluit. Dit betekent dat collega-bestuurders die menen dat een bestuurder niet mag deelnemen aan de besluitvorming, niet eenzijdig tot uitsluiting kunnen overgaan. Wanneer over dit oordeel een verschil van inzicht bestaat dat niet in overleg is op te lossen, dienen de bestuurders die uitsluiting wensen zich tot de rechter te wenden, zo nodig in kort geding. Art. 2:239 lid 6 BW bepaalt dat een bestuurder niet deelneemt aan beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het vennootschapsbelang. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, verschuift de bevoegdheid naar de raad van commissarissen of – bij ontbreken daarvan – de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen. De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat, is steeds feitelijk en afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Deze uitspraak heeft betekenis voor de praktijk van vennootschapsbestuur, met name waar besturen zonder toezichthoudend orgaan opereren.