Hoge Raad: pasfoto niet automatisch biometrisch gegeven onder AVG
ECLI:NL:HR:2026:392, Hoge Raad, 13-03-2026, 24/02161
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Contractenrecht. Financieel recht. Unierecht. Verplichting kaarthouder om zich te identificeren met pasfoto waarbij een kopie van (identiteitsbewijs met) deze foto wordt opgeslagen. Zijn instellingen op grond van Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), in samenhang met art. 40 (gewijzigde) Europese vierde anti-witwasrichtlijn, verplicht tot opslaan van (pas)foto die gebruikt is bij identificatie, art. 3 Wwft, art. 11 Wwft, art. 33 Wwft, art. 38 Wwft en art. 4 Uitvoeringsregeling Wwft? Is vastleggen of opslaan van (kopie van) pasfoto verwerking van biometrisch gegeven, art. 9 lid 1 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en art. 4 onder 14 AVG? Verwerking van persoonsgegevens, eisen art. 5 en 6 AVG. Bijzondere categorie persoonsgegevens, art. 9 AVG. Voornemen tot stellen van prejudiciële vragen aan Hof van Justitie van Europese Unie, art. 267 VWEU.
Kern van de zaak
Een kaarthoudster stelde dat het opslaan van haar pasfoto of selfie door een organisatie een verboden verwerking van biometrische gegevens vormt onder de AVG. Het hof had geoordeeld dat dit niet het geval was. De kaarthoudster ging in cassatie bij de Hoge Raad.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad beoordeelt onderdeel 1 van het cassatiemiddel, dat klaagt over het oordeel van het hof dat het vastleggen van een pasfoto geen verwerking van biometrische gegevens is. De beslissing lijkt erop gericht te bevestigen dat foto's alleen als biometrische gegevens kwalificeren wanneer zij worden verwerkt met specifieke technische middelen die unieke identificatie of authenticatie mogelijk maken, conform overweging 51 van de AVG-considerans. Opmerking: de uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de definitieve conclusie van de Hoge Raad niet volledig kan worden vastgesteld.
Impactscore
RichtinggevendDe Hoge Raad stelt een fundamentele rechtsregel over de definitie van biometrische gegevens onder de AVG, wat van belang is voor de brede toepassing van privacyrecht in Nederland. De onvolledigheid van de uitspraaktekst beperkt de zekerheid van de analyse enigszins.
Belangrijkste punten
- 1Verwerking van biometrische gegevens is in beginsel verboden op grond van art. 9 lid 1 AVG, tenzij een uitzondering van art. 9 lid 2 AVG van toepassing is.
- 2Art. 4 onder 14 AVG definieert biometrische gegevens als persoonsgegevens die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking waarmee eenduidige identificatie mogelijk is of wordt bevestigd.
- 3Overweging 51 AVG-considerans bepaalt dat foto's niet systematisch als biometrische gegevens mogen worden beschouwd, tenzij verwerkt met technische middelen voor unieke identificatie of authenticatie.
- 4Het hof oordeelde dat het louter opslaan van een pasfoto geen verboden verwerking van biometrische gegevens oplevert; de kaarthoudster bestreed dit in cassatie.
- 5De tekst van de uitspraak is onvolledig; de uiteindelijke beslissing van de Hoge Raad op dit onderdeel is op basis van het beschikbare fragment niet volledig vast te stellen.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad geeft richting aan de interpretatie van het begrip 'biometrische gegevens' in de AVG, in het bijzonder de vraag of het louter opslaan van een foto als verboden verwerking kwalificeert zonder gebruik van specifieke technische identificatiemiddelen. Dit is een richtinggevende uitleg voor de toepassing van art. 4 onder 14 en art. 9 AVG in Nederland.
Praktische impact
Organisaties die pasfoto's of selfies opslaan voor identiteitsverificatie krijgen meer duidelijkheid over wanneer zij AVG-verplichtingen voor bijzondere persoonsgegevens moeten naleven. Zonder specifieke biometrische verwerkingstechnologie is de zware bescherming van art. 9 AVG vermoedelijk niet van toepassing.
Onderwerp-impact
Voor de databeschermingspraktijk biedt deze uitspraak een gezaghebbend kader over de grens tussen gewone foto-opslag en biometrische gegevensverwerking, relevant voor sectoren zoals financiële dienstverlening, retail en platformdiensten die klantidentificatie via foto's uitvoeren.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of het opslaan van een pasfoto of selfie door een organisatie kwalificeert als een verboden verwerking van biometrische gegevens in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Een kaarthoudster betoogde dat het vastleggen van haar foto door het hof ten onrechte niet was aangemerkt als verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens ex art. 9 lid 1 AVG. Het hof had in eerdere instantie geoordeeld dat dit niet het geval was en ook geen schending van zorgplichten aangenomen. In cassatie klaagt onderdeel 1 van het middel over de uitleg die het hof gaf aan het begrip 'biometrische gegevens' als bedoeld in art. 4, aanhef en onder 14, AVG. De Hoge Raad analyseert deze bepaling en stelt vast dat biometrische gegevens persoonsgegevens zijn die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking van fysieke, fysiologische of gedragsgerelateerde kenmerken, op grond waarvan eenduidige identificatie van een persoon mogelijk is of wordt bevestigd. Uit overweging 51 van de AVG-considerans volgt nadrukkelijk dat foto's niet systematisch als biometrische gegevens mogen worden beschouwd: zij vallen slechts onder de definitie wanneer zij worden verwerkt met behulp van bepaalde technische middelen die unieke identificatie of authenticatie mogelijk maken. De Hoge Raad bevestigt daarmee de lijn dat het louter opslaan van een pasfoto, zonder gebruik van biometrische verwerkingstechnologie, niet zonder meer kwalificeert als de verboden verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Deze uitspraak heeft richtinggevende betekenis voor de praktijk van identiteitsverificatie via foto's. De uitspraaktekst is echter onvolledig aangeleverd, waardoor de definitieve conclusie van de Hoge Raad op dit cassatieonderdeel met enige onzekerheid moet worden omgeven.